Frederik van Eeden
3 april 1860 - 16 juni 1932

     Een leven in woord en beeld    

 

Documenten

 
01 Van Eeden aan Willem Kloos - 02 De Lieven Nijland affaire - 03 Frederik van Eeden over Felix Ortt - 04 Frederik van Eeden over Gustav Landauer - 05 Voorwoord bij de Nederlandse vertaling van Thoreau's Walden - 06 Dorst naar verlossing - 07 Het Antwoord - 08 Parabel - 09 Siderische geboorte - 10 Bij 't Licht van de Oorlogsvlam (twee hoofdstukken) -
 
 

Frederik van Eeden aan Willem Kloos

Beste Vriend!

Om deze volgende redenen wil ik iets antwoorden op het geen je over mij en tegen mij in 't openbaar gezegd hebt. Ik wensch ongestoord mijn weg te kunnen gaan en mijn individualiteit te ontwikkelen, mijn vrijheid behoudend met zorgvuldig ontzien van de vrijheid van anderen. Ik wensch op niemand invloed uit te oefenen, tenzij door rede, of door sympathie, dat is dus liefde.
Ik verdoem en verwerp alle gezag, alle prestige, alle autoriteit - zoowel in het samenleven der lichamen, als in dat der intelligentiën.
Ik wil het individualisme zoo compleet mogelijk, maar een altruïstisch individualisme, dat erkent het bestaan en bestaansrecht van andere individuen - en dus vrijheid zoekt voor elk, niet voor mij alleen. Ik zoek deze vrijheid, omdat ik voel, als een levend en reëel sentiment, de liefde voor mijne soort, de menschenliefde. Dit is het motief, en het wezen der rechtvaardigheid bestaat naar mijne meening in het bepalen der grootst mogelijke vrijheid die wij allen kunnen erlangen, naast elkaar.
Er is maar één ding, dat ik belangrijk vind boven alles, waarvoor ik leef, en waarvoor ik weet waarachtig te leven. Dit is mijn God, dit is het Goede. Ik kies dit woord, omdat ik geen enkel-woord weet, dat mij beter dient. Zoo je wilt begrijpen wat ik noem met dit woord, zoo zal je dit alleen gelukken, door met volle aandacht, met een effen, open, en blank gemoed alles aan te hooren wat ik gezegd heb en nog zeggen zal.
Voor Dezen, mijnen God strijd ik. Ver ben ik van apathische contemplatie - want ik voel doodelijke haat en brandende liefde, daar ik mensch ben als jij.
Maar in dezen strijd wil ik rechtvaardigheid. Ik erken niet enkel mijn recht, maar ook het recht mijner vijanden. Omdat ik mij niet aanmatig de allerhoogste Rechter zijn, wetende het absoluut Goed en Kwaad. Ik strijd voor mijn recht, voor hetgeen ik voel Goed te zijn.
En zooals de ridders in den strijd der lichamen hoffelijk waren en rechtvaardig, ondanks doodelijke veete, zoo wil ik ook in den strijd der intelligentiën de wapenen gelijk en de vrijheid gelijk ter weerszijden.
Door gevoel kunnen wij niemand overtuigen die niet heeft de sympathie met ons, de kiem van hetgeen wij gevoelen - door rede kunnen wij niemand iets doen gevoelen, wat niet in hem is.
Zoo wil ik niemand alleen door redeneering trachten te brengen tot wat ik voel - noch wil ik hem door de schittering van mijn mooi trachten te overtuigen, als ware het door rede, van mijne wijsheid.
Ik wil zeggen mijzelf, zoo mooi ik kan. Wie mij liefheeft, volge - wie mij antipathisch is hate mij of vermijde mij.
Ik wil ook bouwen in 't opene de theorie mijner sentimenten, niet zoozeer om te overtuigen, maar om hem die mij liefheeft het volgen gemakkelijk te maken. En dit laatste wil ik doen in sobere, geserreerde, kalm-geëmotionneerde taal. Ik wil niet lyrisch zijn bij 't denken, omdat de sonore muziek der woorden en de schittering der beelden meesleept en verblindt, en ons zoowel als den hoorder schijnt te overtuigen, al ware het gansche bouwsel ijdel. Want het subliemste proza blijft even fraai of het leugen of waarheid beschrijft, en Bach's Mattheüs Passion is geen bewijs voor de waarheid van het eerste Evangelie.

Ik wil ook niet redeneeren in mijne lyriek omdat dit maar schade doet aan 't mooi, en volmaakt onnut is.
Wat ik moet, voel ik zeer nauwkeurig. Je hoeft het mij niet te zeggen. Zoo je wenscht te weten wat ik wil, zal je mij moeten lezen, en als dat niet genoeg is, geduld hebben.
Ik laat mij alleen influenceeren door sympathie en rede, de machten die ik ook zelf alleen erken. Ik laat mij door niets anders afleiden van den weg die ik gaan wil. Al werd ik uitgejouwd door de geheele élite, of toegejuicht door de heele vrije gemeente - wat wel 't ergste kwaad zou zijn - ik zal 't niet achten. En zoo een tegen mij spreekt als jij gedaan hebt, zal ik hem alleen antwoorden als hij een zoo bizonder mensch en mij een zoo groot vriend is als jij bent.
Je laatste stukje over mij is een overijlde daad. Het is in een booze bui geschreven en op allerlei plaatsen duidelijk geëmotionneerd door een zekeren wrevel, een humeurig ongeduld. De reden daarvoor verraadt je met bijna naïeve openheid. Ik heb namelijk, ondanks je afkeuring, mijn werk uitdrukkelijk wenschen te plaatsen. De toorn hierover geeft je stuk iets meesterachtigs, iets vaderlijk beknorrends, dat mij hoogst ridicuul voorkomt en waaraan ik mij voor goed wensch te onttrekken. De bespreking van mijn werk wordt ten eenenmale krachteloos gemaakt door dit gemis aan kalmte en door je opene bekentenis dat je er geen meeningen in vinden kunt. De conclusie, dat er dan ook wel niets in zal staan, zou jij-zelf in de beste van je tegenstanders voorbarig vinden. Een karakteriseering van mijn persoon kon onder deze omstandigheden moeielijk gelukken en moest hier misplaatst zijn bovendien.
Ik heb je vooruit gewaarschuwd dat iemand die een stuk schreef als 'Heden, Verleden en Toekomst,' mij en mijn werk niet zou kunnen verstaan en ten volle karakteriseeren. Het stuk erken ik als zeer fraai, maar het is of onrijp als wijsheid, of de uiting van een mij niet sympathieke ziel.
De man die dat stuk schreef ziet geen onderscheid tusschen een mooien God en een mooien duivel, tusschen mooie liefde en mooie haat.

Of dit de gansche Willem Kloos is, betwijfel ik. Want diezelfde Willem Kloos schreef over Maldoror heel anders en mij heel sympathiek. Ook staat er in dat stuk zelf iets over een heilzame correctie van de menschheid door het christendom. Een mooie duivel spreekt van geen heilzame correctie. In verblinding en verdorvenheid groeit het mooie even rijk.
Maar is dit een vergissing, en is de schrijver van het bedoelde fraaie stuk, de echte, de waarachtige Willem Kloos, dan verschilt deze essentieel met mij.
Want - en dit zal je hoop ik willen aannemen, al begrijp je 't niet - ik voel de kwalificatie goed, zonder begrip van eenige nuttigheid, als een hooger kwalificatie dan mooi. Zoodat ik bijvoorbeeld iets moois en ook iets nuttigs niet goed zou kunnen vinden. Hoe ik dit begrijp heb ik reeds aangegeven. Hier 't weer te probeeren zou niet baten. Het is het Rechte - 't Engelsche 'Right' - het ethisch-schoone, zooals sommigen 't ook wel noemen, le droit Chemin, de Weg tot God.
Voor jou schijnt dit begrip zinledig - en reeds voor lange jaren heb ik bespeurd en gezegd dat ik onder ons allen hiervoor de meest sensitive scheen te zijn. Door jou heb ik leeren onderscheiden wat goede en slechte verzen zijn, wat mooi en leelijk is - maar altijd, altijd heb ik het geweten dat er iets is waarin ik de artiest ben en jij de leek. Dit rust op zoo vaste, zoo reëele en zoo jaren lang doordachte sentimenten, dat ik dit durf zeggen met gelijke zekerheid als waarin jij hetzelfde eens heb kunnen zeggen tegen mij.
Wat je noemt mijn denken op papier, is waar in een gansch anderen zin als jij bedoelt. Ik geef niet altijd alle schakels mijner gedachten, omdat ik al het vroeger gedachte bekend onderstel. Dit kan moeielijkheid geven voor wie mij en mijn vroeger werk weinig kent. Maar ik begin niet pas te denken, als ik den titel neerschreef voor een stuk, ik tel mijn woorden niet licht, ik zet niet neer onjuiste gedachtetjes.
Dit is alles onjuist. Mijn gedachten werken dag en nacht, zonder dat ik 't wil, stil en gestadig, zooals koraal-dieren hun groote bergen bouwen. En elk gezegde rust op het in jaren geformeerde. Maar wie niet goed ziet, ziet slechts verspreidde eilanden, waar toch een groot gebergte is. En door het peuteren aan een formule is de realiteit in mijn ziel niet te veranderen. Vele formulen schijnen in flagranten strijd die toch elk voor mij intensief waar zijn. Zoo deze b.v.
'Niemand is Goed dan God alleen.'
'Er is geen kwaad, alle kwaad is negatie.'
'Heb uw naasten lief als uzelven.'

Ik zou elk dezer woorden kunnen gebruiken, zooals ik een lijn kan gebruiken in een teekening, zoodat die 't doet. Maar wie enkel aan zulke woorden tornt, doet als wie zegt van een portret, 'deze lijn deugt niet, want de neus van 't model is recht en deze lijn is krom.'
Zoo heeft de formule: 'Zelfopgroei is 's Levens doel' wel kracht in je eerste stuk - maar later, er uitgehaald en gegeven als de expressie die wijsheid bevat voor eeuwen is ze dood en onwezenlijk, gansch onmachtig om een reëel zielsgevoel te verbeelden.
Nu niet meer hierover. Ik zie óók wel kans je heele stukje te weerleggen. Ik heb het inderdaad gedaan, ik heb je roode toorn-robijn in stukken geslagen en gansch gevat in zilver cantille-werk van overwegingen. Maar dat moois is voor jou alleen. Het publiek - niet de massa, die hoort ons geen van beiden - ook niet de élite alleen, want ook jou publiek is veel grooter - maar ons beider publiek heeft alleen noodig te weten wat zij aan ons beiden heeft. Daarvoor is dit genoeg.
Het zal mij bedroeven als dit antwoord je weer ergert. Maar daarom mag ik het niet laten. Want het kan slechts kwetsen de sentimenten die ik leelijk vind en die ik in mijzelven niet wil ontzien of wensch te doen ontzien. De vrees voor het oordeel van het publiek, de zorg voor 't prestige van jou of van onze groep of van het tijdschrift. Het oordeel der menigte, dat nooit dan bij toeval of te laat rechtvaardig is, gaat mij geen bliksem aan. En prestige verlang ik niet en eerbiedig ik niet. Deze gevoeligheden, zoo je ze hebben mocht, in je te sparen, zou slechte vriendschap zijn.
Ik spreek tot mijn publiek, zooals ik zou spreken tot de beste, fijngevoeligste en verstandigste menschen die ik mij kan voorstellen. Dit voel ik als mijn plicht.
Wat ze er van maken, wat ze er van zeggen, dat raakt mij niet.
Ik voel mij niet als een paedagoog of een professor
, die moet zorgen voor zijn prestige. Ik wil de menschen niet opvoeden, dat is hun eigen zaak.
Ik geef wat ik heb, en wat ik goed genoeg vind, zooals ik een geschenk geef - en vraag niet wat ze er mee doen.
Laat ons dan nu weer elk aan 't werk gaan en zoeken in vrijheid en oprechtheid de waarheid die is - in ons zelven, - en blijf vooral gelooven aan mijn oprechte en overanderlijke vriendschap.

Juni 1891.
Frederik van Eeden.

 

De Lieven Nijland affaire

Een min of meer uit de hand gelopen grap, deze kritiek die Frederik onder de schuilnaam 'Lieven Nijland' naar de Nieuwe Gids stuurde en er bij Kloos op aandrong om deze tóch te plaatsen, ook al was deze laatste daar niet toe geneigd.

Het zal wellicht wat onbeschaamd gevonden worden, dat ik deze bespreking inzend aan het tijdschrift waarvan de heer Van Eeden redacteur is, dat ik, studentikoos gesproken, dezen schrijver aldus op zijn eigen kast de waarheid wil gaan vertellen. Maar daarvoor heb ik goede redenen. Ik schrijf dit uitsluitend voor den auteur zelf en voor degenen, die het wel met hem meenen, zijn lezers dus en zijn vrienden. Want al is mijn stukje niet vleiend, mijn bedoeling is toch niet den man te krenken, maar integendeel hem een dienst te bewijzen. In elk ander maandschrift geplaatst, zou dit stuk den schijn hebben van een vijandelijke daad, het zou de vijanden van de Nieuwe Gids genoegen doen en het zou nog weer iets toevoegen aan de reeds wat te groote drukte, die in den laatsten tijd over den heer Van Eeden gemaakt is. Inderdaad is de eenige reden die mij tot nu toe steeds teruggehouden heeft van mijn voornemen om hem eens een brokje van mijn opinie te laten zien, deze: dat hij dan alwéér besproken wordt, terwijl er juist nog veel te weinig over hem gezwegen is.
Maar als dit nu maar alleen onder de oogen van Nieuwe Gidslezers komt, dan kan het geen reclame heeten, daar toch niemand de Nieuwe Gids kent zonder den heer Van Eeden reeds te kennen.
Van de rechtvaardigheid der redacteuren en van de consequentie des heeren Van Eeden verwacht ik dat zij deze beschouwingen, vooropgezet dat zij belangrijk, eerlijk en wel-uitgedrukt zijn, niet om redenen van minderen aard zullen weigeren.
Dit geschriftje treuzelde voor de deur van mijn geest, zooals een uitgekleed bader voor de deur van zijn badkoetsje, aarzelend om in het groote, koüe water te gaan, - toen het er uit-gelokt werd door de laatste woorden van den heer Van Eeden zelf, in zijn kritiekje over Verwey's vertaling. Hij mocht lijden ook zoo eens gekritiseerd te worden. Komaan! - als er dan niemand anders is, waarom dan niet? Wat maakt het uit wie ik ben! Sta vast, vriend Frederik, en toon ons de deugdelijkheid van uw oprechtheidspantser, laat mij de sterkte van het schild uwer waarheidsliefde eens beproeven. Als gij u boos of gekrenkt voelt, als gij maar een zuur gezicht zet - o, wat gaf ik om aandachtig uw gezicht te bekijken terwijl gij dit leest! - dan blijkt uw staal-gewaande kloekheid glazen ijdelheid, uw tot in alle consequentie verlangde oprechtheid een voorwendsel - en zoo gij in dit werk vijandschap of nijdig opzet vindt, dan zijt gij als literator geen knip voor uwen zielkundigen neus waard. En om dan maar terstond bij dat laatste kleinste geschriftje te beginnen, als waart gij een slang die ik bij den staart wil opeten, zoo vind ik, dat gij in uw kritiekje over Verwey's vertaling mij tevens het beste houvast geeft voor mijne gulzigheid. Hier zijt gij al zeer makkelijk te pakken, dit puntje van uwen staart is zóó dun dat een zuigeling het overgapen kan. Ja! gij doet als de symbool-slang der ouden en bijt daar in uw eigen staart, en dreigt u zelven op te vreten.
Gij bestrijdt de juistheid der voorstelling die Verwey van zijn motieven geeft, op grond van onaannemelijkheid - en geeft voor uwe bestrijding zelve motieven op die, als ge even nadenkt, niets aannemelijker zijn.

Gij wendt vóór dat gij Verwey een dienst hebt willen doen - zeer goed! - maar eilieve! welke motieven zijn er op te geven die u er toe brachten dit in 't openbaar te doen? Een brief aan uwen zwager Verwey had denzelfden dienst bewezen. Maar gij hebt laten drukken, gecorrigeerd, gepubliceerd - waartoe? De redenen, hiervoor denkbaar, zijn, primo: om copie voor uw tijdschrift te leveren - een in deze kwestie totaal ongeldige en onwaardige reden; - secundo: om ook andere menschen goed op 't hart te drukken oprecht te zijn in hunne voorstelling van zichzelf - een eveneens onvoldoende reden daar dit zeer goed had kunnen geschieden zonder den heer Verwey als afschrikwekkend voorbeeld te gebruiken - tertio: elken auteur die het lezen mocht te beduiden dat hij op moet passen, dat gij toeziet en waakt en ook niet de geringste onzuiverheid in de kleinste voorrede onopgemerkt zult laten - een ongepaste reden, daar niemand u als opzichter over de zuiverheid van voorredenen heeft aangesteld en gij nog onlangs hebt verklaard niemands rechter te willen zijn.
Gij ziet dus dat ik, - zonder u nog te beleedigen door het onderstellen der mogelijkheid dat gij den heer Verwey eenigszins onaangenaam hebt willen zijn, of er een zeker leedvermaak of satisfactie in vondt hem welwillend-vermanend en beschermend toe te spreken, - toch reeds gedwongen werd motieven aan te nemen voor uw handelen, die gij zelf onmogelijk tot zuivere motieven kunt rekenen, en niet overeen komen met de voorstelling die gij van uwe motieven geeft: n.l. den heer Verwey een dienst te willen bewijzen.
En dit nu nog al in een stukje waarin gij de critici feitelijk tart om u eens op gelijke wijze onderhanden te nemen, waarin men dus verwachten zou, de zorgvuldigste vermijdingen van alle valsche voorwendsels te vinden! Is ooit iemand zoo roekeloos in een glazen koets uit steenen-gooien gereden? En hoe zal het met die vele geschriften staan, waarin gij uzelven niet tot zoo strenge zelf-controle behoefdet te dwingen?
Nu doe ik een tweede hap, waar de slang wat dikker is.

Niet lang geleden hebt gij een ander stukje geschreven, zwaarder, serieuser gestileerd, waarmee gij het noodig achttet het publiek op de hoogte te brengen van uwen vrijheidszin - en van uwe algeheele losmaking van het gezag uws vriends en mede-redacteurs, den heer Willem Kloos.
Ook aan dit geschrift wist gij den schijn te geven van iets noodzakelijks en onvermijdelijks, een daad van vriendschap en waarheidsliefde, - enfin! een heel mooien schijn, die stellig door velen der u welgezinde lezers is geäccepteerd.
Maar wederom staat de nadenkende lezer - de door u, mijnheer Van Eeden! aan 't nadenken gebrachte lezer - voor de vraag: - Waar is bij al deze mooie motieven, het motief voor publicatie? Is het om uw lezers te vermanen? - Gij zegt, dat niet te willen. Is het om ze te stichten? - Gij kunt dat op andere minder persoonlijke wijze. Is het om u beter te doen begrijpen? - eilieve! heeft dat zoo'n haast? - en moet dat geschieden ten koste van iemand, aan wien gij zegt veel verplichtingen te hebben?
Als ik dus - om u niet te beleedigen - geheel wil afzien van de suppositie, dat er iets streelends voor u was in het vernederen van uwen vriend, dat gij een zekere glorie vond in het kloekmoedig en openlijk u als onafhankelijk gelijke poseeren naast den man, die, naar uw zeggen, het meest tot uw letterkundige vorming heeft bijgedragen, wat blijft er dan nog voor ander motief, dat niet in strijd is met den schijn uwer woorden, of met de hoogheid der door u uitgesproken sentimenten?
Ik zou mij zeer in uw zielkundig doorzicht vergissen, als gij in mijne woorden een beschuldiging van opzettelijke valschheid, van opzettelijk schijnvertoon, of van eenige minder oprechte bewuste intentie vond. Gij hebt zelf opgemerkt hoe moeilijk oprechtheid is, gij hebt de voorwaarden opgenoemd waaronder ze alleen te bereiken is: oplettendheid, oefening, kritiek.
Maar de bedaarde, van-u-zelf-secure toon waarop gij uwen lezers in 't algemeen en in 't bizonder den heer Verwey die mededeeldet, zooals een professor in de mathesis de stelling van Pythagoras zou mededeelen, - doet mij vermoeden dat gij uw eigen bedrevenheid in deze moeilijke kunst der oprechtheid tamelijk overschat.
Dit is het eerste wat ik u onder 't oog wilde brengen, ten uwen beste, en ik meen dat de aangehaalde voorbeelden tot staving van 't beweerde meer dan volstaan. Als gij mij niet toegeeft, dat uwe 'Studies' wemelen van dergelijke kleine onoprechtheden, dan zal ik meenen dat gij de draagwijdte uwer eigen woorden en ideeën niet hebt gekend.
En nu ga ik eenige algemeene opmerkingen maken en u daarbij - leer om leer - als afschrikwekkend voorbeeld gebruiken.
Hebt gij zelf niet bij uwe welmeenende oraties telkens een uwer collega's uitgezocht ter demonstratie als proefobject tot het experimentum in vivo? Hebt ge niet op den heer Van Deyssel het onbewust-onreine der artistieke indecentie, op den heer Netscher het potsierlijke der onbewuste nabootsing, op den heer Kloos het gevaarlijke van heerschzucht en betoogende lyriek, op den heer Verwey de leelijkheid van onzuivere zelf-representatie gedemonstreerd?
Welnu! Nu wordt gij ook zelf eens op de operatie-tafel gebonden - en ik zal aan u demonstreeren de treurige gevolgen van het verwaarloozen van verschil tusschen goede Wil en goede Intentie.
Als ik uwe Intentie voor uwen Wil mocht nemen - goeie Hemel! wat vond ik u dan een braven jongen! En daar gijzelf menigmalen in die fout vervalt, ja zelfs weinig blijk geeft goed het verschil tusschen Wil en Intentie te beseffen, komt gij tot het natuurlijke maar zeer betreurenswaardige resultaat u voor een veel braver jongen te houden dan gij zijt.
Uwe bewuste Intenties zijn altijd superbe bedoeld, - op vrijheid, hoogheid, oprechtheid, moed, deemoed, afschuw van al het kleine en lage, en zoo voort. Maar dit bewijst niet dat uw Wil superbe is.
Al zeer lang was het blijkbaar uwe Intentie mooie werken te vervaardigen. Niettemin hebt gij zeer veel onbeduidende
prullen vervaardigd. Van een Wil tot iets moois is slechts enkele malen en vooral in den laatsten tijd wat gebleken.
Nu is het in elk vergefelijk, dat hij prullen maakt - met de intentie prachtwerken te leveren, maar niemand wordt het vergeven, wanneer hij de Intentie, het begeerende, beramende, verwart met den Wil, het strevende, volbrengende - en daardoor gaat meenen dat het toonen eener goede Intentie recht geeft op die fiere, zelfbewuste en strenge houding die toekomt aan den man met Wil.
Zoo hebt gij, om een voorbeeld te noemen, eens zeer lustig en uit de hoogte den draak gestoken met jamben van den heer Florentijn. Welnu! toen was er van den Wil tot iets beters nog nooit een schijntje bij u gebleken. Het laatste zoodje jamben dat gij toen in de wereld had gestuurd, - in uw tooneelstuk 'Het Poortje', was weinig verhevener en bevalliger om te zien dan een optocht van rheumatieke weegluizen. Maar gij, steunend op uwe goede Intentie, matigdet u een toon aan, alsof de werkelijke Wil in u niet nog ongeboren was.
In 't algemeen kan men van uw auteursfiguur en van uw houding in de Nieuwe Gids-beweging zeggen, dat gij hebt gewoekerd met goede Intenties. Het was steeds uwe Intentie: niet bang, niet kleingeestig, niet eerzuchtig, niet ijdel en niet oppervlakkig te zijn. Wat uw Wil was, schijnt gij dikwijls eerst later bespeurd te hebben en anderen eerder dan gijzelf. Maar uwe Intentie kendet gij alleen zeer goed, en die steldet gij voorop - en wist met de u eigene gevatheid al uw uitingen daarmee in schijnbare harmonie te brengen. Aldus verkreegt gij gewetensrust voor uzelven en bleeft bij 't publiek het lieve kindje. Het mag u en enkelen uwer scherpzinnigste lezers eenigszins verwonderd en met een heimelijke onzekerheid vervuld hebben, hoe iemand aan een revolutie mede kan doen en toch het lieve kindje blijven, - het mag bij sommigen uwer meer artistiek en minder dialectisch begaafde vrienden een intuïtief wantrouwen hebben veroorzaakt - niettemin had niemand vat op u, door de voorzichtigheid waarmee gij zorgdroegt altoos eerst uzelven en dan anderen van uw goeden wil te overtuigen.
Zoo zou men geneigd zijn u voor wat bang te houden - hoe is 't mogelijk, denkt men, dat iemand, die moedig is, zoo weinig vijanden maakt. Evenwel kan niemand bewijzen dat gij bang zijt geweest - want het was uwe Intentie niet bang te zijn, en overal waar het pas gaf, wist gij die Intentie te doen blijken. Gij kunt vele daden aanwijzen, die intellectueelen moed vereischen. Maar van geen enkele kunt gij toonen, dat zij 't gevolg was van oorspronkelijke en natuurlijke heldhaftigheid. Zij kwamen eerst als gevolg uwer overtuiging, dat gij eigenlijk niet bang waart.
Praktisch maakt dit zooveel verschil niet, zult gij zeggen. Toch wel, namelijk dit: dat gij altijd wat banger zijt dan gij denkt. Gij zult nu misschien wel wat meer gelijken op den held dien gij begeerdet te zijn, maar het schijnt mij toe dat slechts onbewuste en behendig gemaskeerde vrees u veel slagen heeft doen ontwijken, die u tot eer en grooter zelfvoldoening hadden gestrekt.
Zoo was het uwe Intentie, oprecht te zijn en niet oppervlakkig, Die Intentie hebt gij nadrukkelijk getoond in uw 'Studies', door uw aanvankelijke dwalingen bij 't herdrukken te laten staan en door 't toevoegen van geleerde aanteekeningen. Maar dat des-ondanks uw Wil tegelijk oppervlakkig en onoprecht is geweest kan uwen aandachtigen lezer niet ontgaan. Want de bedoelde geleerde annotaties waren op vele plaatsen onnoodig, kunnen dus geen ander doel hebben dan het verbergen eener zekere oppervlakkigheid, en zijn dus vingerwijzingen precies en onloochenbaar, naar de onoprechtheid van uwen wil.
Met een zuiveren van nature oprechten wil hadt gij, wetende dat uwe opinies vooral sterk zijn door intuïtie en evenveel waarde hebben zonder eenig vertoon van geleerdheid, ook allen schijn daarvan weggelaten. Maar gij hadt vooral den wil tot overtuigen en ge voeldet instinctief dat gij gemakkelijker zoudt overtuigen met dan zonder den schijn van veel positieve kennis.
Zoo is het uwe Intentie, niet eerzuchtig te zijn en niet ijdel. Kloek hebt gij deze bedoelingen geposeerd in uw antwoord aan den heer Kloos. Maar dat het iets meer dan bedoelingen zijn, dat deze doode plannen zijn geworden tot een levenden Wil, daarvan moeten de bewijzen nog komen. Wie uw schrijversloopbaan objectief gadeslaat, als een gegroeide plant, ziet in hare formatie evenveel eerzucht en ijdelheid als in die van elk uwer collega's. Het is u zelf misschien nooit bewust geworden, maar uw Wil heeft u precies doen volbrengen wat kon strekken tot voldoening uwer eerzucht, tot streeling uwer ijdelheid.
Gedurende den strijd der anderen, hun verheffing door enkelen, hun verguizing door velen hebt gij bedaard en gestadig uw draadje voortgesponnen, instinctief zorgend de gunst der velen niet te verliezen noch bij den voortgang der enkelen achter te blijven. Gij wist op 't juiste moment, door 't uitgeven uwer 'Studies' den menschen te doen begrijpen, dat gij de Nieuwe Gids waart, en door het snel daarop laten volgen uwer beste werken ook den lof der strengsten te winnen, de aandacht blijvend op u te vestigen en uw literaire figuur scherp en duidelijk te doen uitkomen. Het was misschien niet uw bewuste Intentie, maar de uitkomst bewijst dat het uw Wil was, de toeleg uwer daden.
Direct bleek indertijd het kwetsbare uwer ijdelheid uit de ietwat spijtige voorrede van 'Het Poortje', en dat het u niet enkel om den triomf uwer ideeën maar ook om uw persoonlijk gelijkhebben te doen is, bewijzen de uitgewerkte pleidooien, met verwijzing naar uw vroegere beweringen, zelfs met nauwkeurige vermelding van data, tot staving van uw prioriteit, - in psychologische vraagstukken.
Verre van mij dat ik in deze eerzucht en in deze ijdelheid iets betreurenswaardigs zie. Zonder beide gemoedsaandoeningen als drijfkracht ware weinig, ook van 't allerbeste werk, in deze wereld tot stand gekomen. Alle werkers, ook de artiesten, hebben tot productie den stimulus der eerzucht en het verwachten der ijdelheids-streeling noodig - zoo zij niet hoog en sterk, ik zou haast zeggen, heiligen genoeg zijn om te werken door den zuiveren drang van Liefde, Menschen- of Godsliefde, of Schoonheids-devotie.
Gij weet dit - en uwe Intentie nu is te doen als de allergrootsten deden. Maar ik wijs er u op dat gij dwaalt, als ge meent reeds zoo gedaan te hebben en u iets op dit doen te mogen aanmatigen. Zoo dit uwe Wil is, dan is zij het eerst onlangs geworden en nog aan niemand gebleken.
Maar het is u gelukt, daar gij wat beter de menschen schijnt te kennen, met meer tact en intuïtie voelt, wat de menschen noodig hebben om iets te accepteeren, dan uwe vrienden - het is u gelukt velen te doen gelooven dat gij zijt wat gij zoudt wenschen te zijn. En dan schijnt het dat gij, dit bemerkende, er weer niet op gesteld zijt, en de gunstige opinie niet wilt aannemen, die gij toch, onbewust maar niettemin opzettelijk, hebt doen ontstaan.
Zoo loopt uwe Intentie telkens uwen Wil vooruit, en verwerpt met schaamte de smakelijke appelen, die uw Wil achter uwen rug gestolen heeft om u te believen.
Nu zou het kwaad van dezen toestand zoo groot niet zijn, wanneer dit alles toeging in de binnenkameren uws harten. Gij zoudt dan slechts moeten missen de vereering die wij moeten toedragen aan de edel-geborenen, de vanzelf-grooten, de uit hunnen aard oprechten, moedigen, deemoedigen.
Daarentegen wint gij de verdienste van het moeilijk streven, het zwaar bestrijden, het ingespannen zich hervormen naar den zelf gestelden eisch van Goed. En hoe schoon dit streven wel geacht is, bewijst de bijbelspreuk die den zich bekeerenden zondaar tot rijker bron van Hemelvreugde maakt dan de nooit-verdoolde, - die dus het streven grooter ethische waarde toekent dan het zijn.
Maar nu hebt gij verkozen in uw geslacht niet slechts te functionneeren als een obscuur raadje, dat, vlijtig om eigen spil draaiend, door stille volmaking van verborgen arbeid tracht aan zijne bestemming te voldoen, maar het is uw wil geweest artiest te zijn en poëet, uw wezen op te stellen voor de menschen als iets moois, uw leven te laten uitschijnen over vele anderen, uw zielsbewegingen te laten gebeuren in 't openbaar, opdat gij invloed zoudt hebben op den gang van uw geslacht, niet enkel door uw bestaan, maar ook door de afspiegeling er van, door de kracht van bewondering, sympathie en liefde.
Dit is prijzenswaardig, - maar slechts dan, als gij toont de kunst daartoe te verstaan.
Deze kunst, het poëet-zijn is een zeer nobele, maar ook een zeer moeilijke en zwaarder van verantwoording dan eenig andere.
En geen lagere eischen moogt gij aan haar stellen dan de beeldende artiesten het doen aan hunne kunst.
Hier begint uwe fout. Want ook in deze kunst geldt het 'artis celare artem', en om het in een paar woorden te zeggen: uw werk, het werk uwer openbare zelfvolmaking riekt naar de lamp.
Het genieten van elk kunstwerk is drieledig. Men geniet van het schoon van het gemaakte, van den schoonen wil van den maker, en van zijne bedrevenheid in het maken. Dit laatste is de kunst in engeren zin, en vormt al de verdienste der artiesten, wier taak is het werk van anderen te doen begrijpen, zooals acteurs en virtuozen. En deze kunst, sensu strictiori, is de bedrevenheid die door vele schrijvers en schilders verward wordt met de hoogere gave, de gave van het schoone te willen en te vinden.
En tusschen de eene kunst en de andere zijn tallooze overgangen. Zoo heeft men b.v. in een muziekstuk de kunst der uitvoering, de kunst der compositie, de kunst van het vinden der schoone muziekgedachten.
In een schrijfwerk de kunst van den periodenbouw, der woordmelodie, dan de kunst der expressie, de echte schrijfkunst, dan eindelijk de kunst der keuze, het vinden der schoonheid die men wil uitdrukken, en dan nog de kunst der conceptie, het scheppen van een groot en schoon geheel.
Men kan iemand artiest noemen, als hij de schrijfkunst verstaat - maar de poëet moet alles verstaan: het vinden en het maken.
Nu is het niet zoozeer uwe schrijfbedrevenheid die ik laken wil, als wel uwe bedrevenheid in het voorstellen van de zieleschoonheid en van dat streven, dat uwe kunst uitmaakt. Want dit is, als ik u wel begrijp, uwe welbewust aanvaarde taak.
Het is waar, wie geen fijnen neus heeft, riekt de lamp niet. Maar dat is uwe schuld en maakt de zaak nog erger. Men ziet de inspanning in uw werk, en men ziet tevens de zorg om die inspanning te verbergen. Zoo ziet men onvolkomenheid en oneerlijkheid te gelijk.
In een zelfde stuk van u ziet men b.v. eerzucht, affectatie van geen eerzucht en tevens een voorzichtig maskeeren van eerzucht. Dit is goede intentie zonder kracht, gemis aan kunstvaardigheid, onbedrevenheid in uwe kunst, beginnerswerk.
Zoo doen jonge schilders ook, ze willen te vroeg iets moois geven, terwijl ze nog zoeken, en daar dit zichtbaar zoeken tegen hun Intentie is, trachten ze het te verbergen.
Het is ongeduld. Gij zijt te haastig, het besef dat ge weet wat ge wilt, drijft u tot uitvoering, hoewel ge nog niet gereed zijt. De miskenning van uwe Intenties prikkelt u. Gij zijt een voorbarig heldenzanger, die triomfen gaat bezingen eer ze volstreden zijn, en onder 't zingen nog een por in zijn ribben krijgt. Hoe kan dat lied dan schoon worden?
Die gelooven, haasten niet. Als uw leven een schoon kunstwerk worden zal, geef het dan tijd tot rijpen, maak het af eer gij exposeert. Wacht tot uwe Intenties tot een Wil zijn geworden eer gij ze uitspreekt. Begin niet dadelijk aan alle lieden te vertellen welke wendingen uwe bedoelingen nemen, want dan moet gij 't begin al weer corrigeeren eer gij aan 't eind zijt, en zult aan 't corrigeeren blijven.
Men kan beweren, dat het nuttig is, den menschen alle moeilijkheden van een worsteling te laten zien, maar deze nuttigheid begeert gij toch niet - het is ook de nuttigheid van een dronkaard.
Neen, uwe Intentie is van uw leven het schoonste en meest harmonische te geven. Laat het nu ook uw Wil worden.
Al die artikeltjes, die beschouwinkjes en rectificaties, zijn onschoon en onharmonisch. Als gij de man waart, die gij daarin schijnt te zijn, affecteert te zijn, hadt gij ze niet geschreven. Ze vreten zichzelven op. Ze doen wellicht goed hier en daar. Maar ze doen goed door een schijn. En begeert gij dat? heiligt dit doel deze middelen?
Zoo gij waarheid spraakt in uw antwoord aan den heer Kloos, dan hebt ge maar één Doel, dat alle middelen heiligt, omdat het door geen onheilige middelen te bereiken is.
Ik spreek niet over uw wetenschappelijk werk. Dat is uwe praktische bijdrage tot de ontwikkeling van uw geslacht, uw individueele nuttigheidsarbeid.
Maar zoo gij Poëet wilt zijn, toon ons dan eenen Wil, geen Intenties. Stel aan uw kunst de allerhoogste eischen van zuiverheid en volkomenheid. En geef ons niets, neen liever niets, heelemaal niets, dan hetgeen zoo schoon mogelijk, zoo harmonisch mogelijk, ja! zóó in zichzelf volmaakt is, als iets menschelijks volmaakt kan wezen.
Ziezoo! Nu bind ik u los van de operatie-tafel - en zal eens kijken of ge nog loopen kunt. En ik hoop van ganscher harte dat deze mijne woorden, voor langen, langen tijd, de laatste zullen blijven over dit onderwerp.

December 1891.

 
 

LITERAIRE BESCHOUWINGEN:

    FELIX ORTT, Inleiding tot het Pneuma energetisch monisme.

    J.P.LOTSY, De Wereldbeschouwing van een  natuuronderzoeker.

 

 

Dit heeten  nu wel „literaire" beschouwingen, maar dat moet niet begreepen worden als handelden ze oover „literatuur" in den zin van „fraaye letteren". Ik heb  niet veel belangstelling voor wat men „fraaye  letteren" noemt. Men begint in dat opzicht beeter te onderscheiden.  Het is zeer aangenaam en  bevrëedigend wanneer geschriften voldoen aan  onze aestetische behoefte, en een uiterlijke  grafie  en bekoorlijkheid toonen.

Maar zij moeten zich  niet voordoen als ware dat uiterlijk fraais hun reeden van bestaan.

Ze moeten zich  op die fraaiheid niets laten voorstaan, en zich ook niet tot een bepaalde soort  groepeeren  die  als  „literatuur"  of „fraaye letteren" een  aparte en hooge plaats in ons geestesleeven in  zou  neemen.

Dat deugt  niet. Want daardoor komt men tot het zoeken  en bevoorrechten van een werksaamheid die  toch  niet  meer beoogt dan een uiterlijke streeling, die genot geeft zonder jacht  naar het  hoogere en onbekende.

In mijn te Gent  in 1912 gehouden reede heb ik uiteengezet het  verschil der literaire harmonie», en  aangetoond dat er een  soort literatuur is, die afronding en voltooyng zoekt in eigen gebied, en daardoor als „Kunst om de Kunst" zeer terecht in geringschatting is geraakt.

  „Fraaye letteren" als een gescheiden vak, als een zelfstandige geestesfunctie, betekent verwaarloozing  van  het hoogste  wat wij kunnen zoeken en  beoogen, en wat ons allen gelijkelijk  aangaat.

 Ditzelfde geldt voor alle kunst, niet minder voor schilderkunst en muziek,  dan voor woord-kunst.

 Alle  kunst moet een gemeenschappelijk eenheid hebben, en  groeyen uit het  praktische leeven, dat teevens een zoeken is naar de  hoogste  wijsheid  en het hoogste geluk.

 De muziekus die alleen zwelgt in muziek en onverschillig is voor het vroome leeven, de  schrijver  die zich alleen beezig houdt met  fraaye letteren — de een zoowel als de andere  vervreemdt van het Leeven, en zal ook  zijn kunst  zien dood  loopen in een ijdel en onbevreedigend  genot.

 Staat eenmaal  in de menschen-gemeenschap  de groote Richting vast, weet  men eenmaal allen en voor altoos waarheen het streeven gaat,  is er een  werkelijk gemeenschappelijke  leevens-beschouwing, die van zelf  spreekt en waaraan niemand zich  zelfstandig onttrekken  kan,   dan  eerst is alle kunst van zelve doortrokken van het hoogste leevensbeginsel.

 Zoo scheen  het  te  zijn,  gedurende een korte periode,  in de Europeesche cultuur, toen het Katholieke geloof meende te zeegevieren, in de midden eeuwen, toen de Kathedralen werden gebouwd, de kloosters gesticht en elke stad  begon met een kerk, en alle  werksaamheid bestuurd werd door het gemeenschappelijke geloof.

Toen was er  geen scheiding tusschen kerkelijk en  waereldsch   leeven,  want  dat waereldsch leeven  was vroom  en elk  kind wies  op in het nooit-betwijfelde, door  niemand verzaakte geloof. Toen was de ongeloovige,  de ketter, een  onmensen  en een barbaar,  die  moest worden bekeerd of onschadelijk gemaakt.

Toen was  alle kunst  zuiver, en de gedachte aan „Kunst om Kunst" iets onzinnigs.

Teegenwoordig is dat alles anders. Er is geen  bewuste  eenheid in leevensrichting, geen  gemeenschappelijk  geloof, geen  vaststaand  geheel  van  overtuigingen  waaraan alle menschen,  op eenige  onbelangrijke uitzonderingen na, deelneemen.

Dit gebrek duidt op verwarring en oovergang,  en elke kunst draagt er de teekenen van, alle schoonheid is er door geschonden.

In architectuur, plastiek, schilderkunst, poëzie, dramatiek en muziek komt de leegheid, de wansmaak en de  ontaarding aan 't licht. Daarom hunkert men allereerst naar vastheid,  helderheid  en eenheid in leevensbeschouwing.  Men houdt  zich  vast aan de natuurweetenschap, die nog het meest universeel  schijnt,  men  beschouwt kunst en „fraaye letteren"  als luxe en tijdpassering.

Daarom moet  de  hoogste kunst van onzen tijd allereerst wijsgeerige of religieuze richting geeven, er is geen kunst thans moogelijk zonder tendens, mits  ze is  tendens van den eedelsten aard. En boeken  die richting geeven, ook zonder tot de „fraaye letteren" te  behooren, zijn toch de belangrijkste van onzen tijd.

Zulk een boek  is het „machtige brouwsel" waaroover ik nog niet uitgepraat ben.

En  zulke boeken zijn  ook die van Felix Ortt, van  J.  P. Lotsy  en  van Borel (de geest van China).

Ortt hoort tot de „letterkundigen" en heeft romans geschreeven. Maar dat is zijn eigenlijke werk niet. In die boeken is te veel en te  gewilde  tendens. Als kunst  zijn ze niet van den  eersten rang.  Maar Ortt zelf, de mensch,  het  karakter,  de figuur is een van de  allerbesten, een van de  Wijzen van ons land en onzen tijd.  Zijn wijsheid verklanken in harmonieën van taal-schoon  kan hij niet.

Maar  zijn laatste  boek, met den veel te langen titel, is een deegelij k en  diepzinnig werk, dat representatief is, en een merksteen op  den langen  weg van geestelijke  ontwikkeling en ééniging der menschheid.

Het  boek van Lotsy,   dat ik in éénen adem noemde, is er eigenlijk  niet mee te vergelijken, omdat het ongeveer vijftig jaar ten achter is, terwijl Ortt het nieuwste en vóórlijkste beschouwingspunt aangeeft.

Lotsy  is  zonder  twijfel  een eerlijk en zelfstandig denker. Maar  ten eerste kan hij niet zoo klaar en helder  schrijven  als Ortt, en  ten  tweede  is  Ortt  volkoomen op de hoogte van  zijn  onderwerp, terwijl Lotsy een dilettant is in de  zaak die hij behandelt.

Onder dilettantisme versta ik — zooals ik vroeger reeds vaststelde  — het spreeken oover een onderwerp zonder voldoende op de  hoogte te  zijn  van  hetgeen er reeds door anderen oover gezegd is.

Lotsy  is  een vakgeleerde, een natuuronderzoeker. In zijn natuurweetenschappelijke vakken, in botanie en biologie, is hij te huis en geen dilettant. Maar in het „waereld-beschouwen"  is  hij een liefhebber, en toont hij  niet  te  weeten of, als hij weet,  niet te begrijpen, wat  er in  dat  opzicht reeds gegeeven is.

Terwijl Ortt, die  misschien  door Lotsy als dilettant in natuurweetenschap zal worden  beschouwd, op  de  hoogte is  van de wijsgeerige  gegeevens van onzen  tijd, en van  natuurweetenschap   genoeg weet  om zijn wijsgeerige inzichten  kritisch te toetsen en te verduidelijken.

Het is  echter volkoomen juist gezien door Ortt,  dat hij  zijn leevensbeschouwing formuleert van natuurweetenschappelijk standpunt.

Daardoor  baseert  hij zijn werk  op  begrippen die algemeen erkend zijn en discussie moogelijk maken.

Maar  hij   miskent  niet,  zooals  Lotsy, wat er gedacht en geschreven is door wijsgeeren van  onzen  tijd,  die hun inzichten direct verbinden aan de natuurweetenschap, en wel vooral aan mathesis en physica, en aan de nieuwste psychologie.

Ik heb nog geen wijsgeerig werk geleezen waarin zoo  helder en  zoo  eenvoudig de verhouding van de natuurweetenschap, met name physica  en mathesis, met het mystiek-intuïtieve  denken is uiteengezet, als in het boek van Ortt.

Wat Lotsy daarover zegt  raakt kant noch wal, zelfs aan Kant is het nog niet  toe.

Het  gaat  teegenwoordig  niet  meer aan leevensbeschouwingen te   schrijven  en het werk  van  schrijvers  als  Boutroux,  Henri Bergson,  Poincarë,  Oliver Lodge, Bertrand Russel, Mannoury, Brouwer, Minkowsky te négeeren. Oover het zoo gewigtige feit dat ruimte en tijd,  als betrekkelijke  grootheden in de  psysica  zijn opgenoomen, oover het weezen der causaliteit, oover de ómkeerbare processen, oover deeze en dergelijke begrippen van den  allernieuwsten tijd, zegt Lotzy niets  dat diep inzicht toont.

Ja, men zou kennen zeggen dat reeds den titel van een hoofdstuk  „oover het ontstaan der psyche" in onze dagen  den  schrijver als wijsgeer disqualificeert. Zooiets zegt men niet, als men  signifisch  taalbegrip  heeft.

Het is  de   wartaal  van  het  neegentiende eeuwsche rationalisme.

Met  het  woord  „psyche"  wordt nood zakelijk iets aangeduid  dat  niet schijnt te zijn  een omringende buitenwaereld,  maar een niet-zintuigelijk waarneembaar zelf.

Omtrent  zulk een zaak te  vragen hoe  ze ontstaat is  onzin.

“Ontstaan" moet noodzakelijk beteekenen; worden  uit  iets anders. Dat volgt  uit  de kracht van  het  voorvoegsel „ont".

Aangezien nu echter  het Zelf, het meest primaire is  wat  wij kennen,  kan het geen beteekenis  hebben  te  vragen waaruit  dat primaire voorkomt.

Vooral niet, wanneer,  zooals bij Lotsy, de bedoeling blijkbaar is te vragen hoe dit zelf voortkomt uit de zintuigelijk waarneembare waereld. Zulk  een vraag is geheel  ijdel  en zinloos, eeven  als  de  vraag zou zijn hoe ontstaan drie boomen uit het getal  drie, of hoe ontstaat de zon uit een bol.

De zoogenaamde buiten-waereld kan niet bestaan zonder de  psyche.  De psyche is voorwaarde  voor  alle „bestaan". Dat er een buiten-waereld  bestaat,  is  afgeleid uit  de psyche en elk spreeken  er oover presumeert de psyche als primair. De buiten-waereld is uit  psychische  gegeevens  afgeleid,  zooals het getal  drie  uit drie  voorwerpen, of het begrip  bol uit een bolvormig voorwerp.

Wie, als Lotsy, oover de psyche tracht te spreeken moet op  de hoogte  zijn der significa en  weeten dat al zijn woorden noodwendig  foutief zijn, en dat hij het er toch mee doen moet.

Ik  zal dit een  volgende maal nog  nader trachten toe te lichten.

 

FREDERIK VAN EEDEN  - Bron: De Groene Amsterdammer 1917

 
 
 

Gustav Landauer - vermoord

Het  is weer teegengesprooken,  maar het zal toch wel waar zijn. Gustav  Landauer is vermoord, eeven als  Liebknecht en Rosa Luxemburg. Men  verwondert zich dat er in ons land nog te  vinden zijn  die het Bolsjewisme verdeedigen,  maar het is verklaarbaar dat men zegt:  een  zaak die  door  menschen  als Gustav Landauer  verdeedigd  is,  was niet onverdeedigbaar, en geen kwade zaak. Het kan zijn dat hij  meegesleept  is in een strooming die hij niet kon stelpen of in beetere bedding leiden — maar hij moet kans gezien hebben voor een groote zeegenrijke omkeer, zonder  geweld. Hij was geen geweldsman, en  afkeerig van alle uiterlijke dwang. Hij was een zachtzinnig, hoog beschaafd man, met bizonder diepe  wijsgeerige  inzichten.

Hij behoorde tot die eedele joden, waaraan Duitschland zooveel  te danken heeft.  Hij was  moedig  en standvastig,  beginselvast en  voor geen dreiging vervaard.

Ik had hem in 1914 nog gezien te  Potsdam, weinig  weken voor het  uitbreeken van den oorlog  En  hij  behoorde tot de weinigen, tot  de zeer  zeldzamen,  die niet meegesleept werden door de vloedgolf van  krijgslust en patriotisme die zelfs den  besten Duitschers te machtig was. Hij was de eenige van mijn Duitsche vrienden,  die eevenals Liebknecht de  dwaasheid  en  het  onrecht van  deezen oorlog terstond had ingezien. Hij was langen tijd onder hen de eenige,  die het met mij eens was omtrent oorzaak en  afloop van  den oorlog. Hij dacht er over  als de schrijver van „j'accuse".

Natuurlijk werd onze correspondentie daardoor onmoogelijk. De censuur kwam tusschenbeide, en alleen door  bedekte termen, en door bemiddeling van bezoekers in Holland begreep ik  dat Landauer  standvastig bleef, en  aan de  zijde van Liebknecht  volharde.

Wat hij publiceerde was  zoo opstandig als moogelijk was, onder den zwaren druk der censuur en der algemeene opinie. Toen ik eindelijk hoorde  dat hij in de Beiersche regeering was gekoozen en optrad als Spartakist, toen hoopte ik nog op een misverstand. Misschien was er nog een andere Landauer. Maar de beschrijving gegeeven  door den  heer  Nijpels, in 't Handelsblad,  nam  allen twijfel weg.  Het was Gustav   Landauer,  de   fijne  wijsgeer,  de prachtige reedenaar, de zachtzinnige, kunstlievende mensch. De beschrijving van den correspondent was  een  leelijke karikatuur, maar  toch goed  herkenbaar.  Toen  ik  las hoe men het beeld van deezen man kon verminken en bespottelijk maken,  toen begreep  ik dat er meer gedwaald wordt omtrent  Spartakisten en Bolsjewieken dan de meesten  in ons land vermoeden.

 Het is te verklaren, door de verbittering teegen het wreede en ruwe optreeden der Russen en hun Lettische en  Chineesche soldaten.

 Maar dat kan  ik  getuigen,  mijn  eedele vriend Gustav  Landauer was niet de malloot met „Papoeahaar," die de heer Nijpels in hem  gezien heeft. Dat hij, de echtgenoot van de fijngevoelige dichteres Hedwig Lachman die onlangs gestorven ia,  de socialiseering van de vrouw  zou hebben willen doordrijven, in de grove beteekenis die daaraan in  ons land wordt gehecht,  dat acht  ik ondenkbaar.

Er zal nog veel aan  't  licht  komen  later, omtrent de tot  nu toe on verklaarbare feiten, in deezen revolutietijd.  Maar  voor de  eer van een  man als mijn vriend Landauer durf ik nu reeds opkoomen,  met  alle kracht.

Wat  hij gewild heeft was goed,  en hij is gevallen als offer van zijn plicht,  en  heeft den dood geleeden  als een eerlijk,  moedig en standvastig man.

 

 

FREDERIK VAN EEDEN  - Bron: De Amsterdammer 1919 - 17 mei

 

 

 

 

THOREAU

D. H. THOREAU, WALDEN.

 

Dit boek zal velen teleurstellen. Ik weet dat er naar wordt uitgezien als naar een der boeken, die ons kunnen richten in het zoeken naar 't Nieuwe Leven. Maar dat zal den mees­ten niet meevallen. Er is niets in van dat leidende, dat geestdriftige, opdrijvende, min of meer dweepsche, dat de meeste zoekenden onder ons begeeren. Ze zullen het boek vaag vinden, onsamenhangend, zonder steun en leering.

Toch is er meer natuurlijke wijsheid in dit boek, dan in vele boeken, die thans voor degelijk wetenschappelijk gelden. Door enkele zinnetjes toont hij een veel hooger en dieper geest te hebben, dan menschen die in onzen tijd voor “geweldige denkers” doorgaan. In al de spits­vondigheid en geleerdheid van Marx b. v. is niets te vinden van dat ruime en heldere inzicht dat Thoreau heeft, en waar hij nu en dan uiting geeft met een enkel losjes daarheen geworpen woord.

Thoreau is van het ras van Carlyle, Emerson, Walt Whitman, Ruskin en Tolstoï. Menschen van sterk karakter, forsch woord, breede algemeene wijsheid, en wat hoofdzaak is: zelfstandigheid. Zij verdiepen zich niet in economische bespiegelingen, maar zien met hun helder verstand ge­makkelijk door de dwaasheden der zich wijs wanende economisten heen. Voor waarachtige wetenschap hebben zij eerbied, schijn-wetenschap belachen zij, zonder er in door te dringen, met rustig besef van meerderheid. Omdat zij aan de wijsheid vasthouden, die vóór alle wetenschap moet gaan.

Thoreau's groote beteekenis ontstaat door zijn moed en zijn zelfstandigheid. Hij voelt diep en durft oprecht uiten wat hij waarachtig voelt. Hij is als een rechtgegroeide boom tusschen millioenen kreupelgewassen. Hij zou in een normale maatschappij niets bizonders zijn, maar in de onze, waar nagenoeg allen aan moreele misvorming lijden, krijgt hij de beteekenis van een genie en een profeet. Zijn zelfstandigheid en oorspronkelijkheid is zoo zeldzaam, dat deze alleen hem op een lijn stelt met de groote schrijvers, waar mee ik hem samen noemde. Zijn woord, toen hij zich liet gevangen zetten[1] “dat in onze verdorven maatschappij de plaats van den wijze in de gevangenis is”, doet denken aan de groote wijsgeeren der oudheid. Want het was niet de daad van een dweeper. Ieder die dit boek leest zal moeten erkennen dat hier een dier gelukkigen spreekt, die een vast evenwicht in zichzelven vonden.

Nu bijna allen die ons omringen, staatslieden, theologen, dichters en geleerden mee zwenken met, en gebogen gaan onder den last der massaal-suggestie, hun eigenlijke natuur verkrommend naar een bedorven wet en zede, nu zijn zulke moedige en oorspronkelijke naturen ons tot steun en richt-vuur, die wij ondanks hun gebreken in dankbare vereering houden. Hij was niet bizonder teeder of liefderijk, maar hij was een rechtvaardige, een recht gegroeid mensch, die zich door al het wicht der wereld niet liet buigen.

Daarom ontvluchtte hij de wereld, omdat hij niet wilde buigen. Dit is in geen en deele navolgenswaard, maar het was een natuurlijk gevolg van zijn deugden. Het ware beter geweest als hij door liefde en wijsheid de menschen het recht had geleerd, maar dit was zijn aard niet. Robert Owen, een veel bekrompener en kortzichtiger denker, besteedde zijn lang leven aan steeds weer mislukkende pogingen, om de menschen tot het recht te brengen, want hij had daartoe weer de eigen­schappen die Thoreau miste. Thoreau had het schoone en rechtvaardige mensch-zijn in zijn eigen hart alleen. In de wereld zag hij er niets van, en van deze verdwaasde, geldjagende menigte verwachtte hij ook niets. Owen, Marx, Kropotkin en andere hervormers van feitelijk minder verheven gevoelens en begrippen dan Thoreau konden hun mensch-begrip zeer wel met het tegen­woordig geslacht vereenigen, zij geloofden en vertrouwden in het goede dat onmiddelijk uit deze ellende, uit fa­brieken, machines, handel en geldzucht zou voortko­men. Dat konden zij juist, ómdat zij minder dichterlijk schouwden en gevoelden. Dan is het gemakkelijker.

Maar wij beseffen, dat, wanneer in het erts van Thoreau's karakter een weinig meer zuiver liefde-goud gemengd was, hij sterker en schooner zou geweest zijn en grooter zegen der wereld.

Geen mensch-begrip is zoo kan zich vereenigen met dit groot en hoog of het geslacht, wanneer men door liefderijk schouwen bemerkt welke schoonheid er nog in sluimert. En het oog eens dichters kan de ont­kiemende schoonheid herkennen in zulk afschuwelijke dingen als onze fabrieken en zwarte werktuigen. Voor wie goed oplet verfraait zich de machine, het vernuft-won­der met den dag - en uit de chaos van bedrog en dwaasheid zal eenmaal een glansrijk Paradijs van Recht en Schoonheid opdoemen, dat nog trotscher en hooger geesten dan Thoreau verrukken en bevredigen kan.

7 Sept. 1902.

 

BRON: Studies IV



[1] Hij weigerde belasting te betalen aan een staat, die de slavernij goedkeurde.

 

 
 

DORST NAAR VERLOSSING.  ( na 1915 )

 

 

 

"Heb je wel eens gezweefd tusschen de verste vaste sterren? Zoo van die van duizend lichtjaren? of die kracht? En dat moet je door, alleen nog verder, en alles achter laten, in 't zwart."

Brief van 17 Jan. 1927

.

Hetzij wij hem als strijder beschouwen, hetzij als denker: omstreeks 1915 zien wij Van Eeden innerlijk ineenstorten. Hij was, als Barbara, "vermoeid van 't zware lijden in de zon", maar hem wachtte nog een vroege en vreselijke ouder­dom.

De strijder, die allang verkondiger was geworden, voelt hoe de grote oorlog hem wegvaagt.[1]  Hij blijft zeer actief, zoekt als spreker en journalist meer dan ooit directe aanraking met het grote publiek, en wil zijn praktisch idealisme dienstbaar maken aan het herstel van de vrede en aan de opbouw van de gelouterde wereld, die zovelen met hem daarna verwach­ten. De "wereldrijksdag" was wel uiteengespat, maar de Zweedse en Nederlandse leden behielden hun samenhang en achtten zich als neutralen de aangewezen bemiddelaars tus­sen de belligerenten. Hieruit kwam in Januari 1917 een vre­desactie voort, die Van Eeden als afgezant naar Londen voerde, waar hij door persoonlijke bemiddeling een onder­houd met Lloyd George verkreeg. Deze was zo hoffelijk, met aandacht te luisteren en zijn afwijzende kritiek tot "prema­ture" te beperken. Na deze reis, die door zijn gevaren en be­slommeringen, queue's en antichambres een marteling voor hem was,[2] schrijft hij in zijn dagboek: "Ik heb mijn doel bereikt." Hij ontveinst zich dus, dat "premature" inhoudt "zur unrechten Zeit", en dat hij dus in 't beste geval... ra­dotirt .

 

16 Februari 1919, als Wilson na aanneming van zijn Volkenbondconcept scheep gaat naar Europa, schrijft hij: "Ik heb een gevoel van droefheid, dat ik niet meer heb kunnen doen in dat groote plan (….) ik voel alsof ik nu al in contact met Wilson behoorde te zijn en dat verzuimd heb door wei­feling en gemakzucht." Dat hij toeschouwer moet blijven, kan hij niet loochenen, en hij zoekt de fout bij zichzelf: toch ziet hij niet dat de ware oorzaak vervreemdheid van de realiteit is.

 

Het is immers ook nog de tijd van Het Godshuis in de Licht­stad: het Pantheon der Mensheid dat als symbool van vol­ken verbroedering gebouwd moet worden. Dat zal een psychotherapeut weleens moeten doen: het gewenste symptoom kunstmatig verwekken…. maar als Van Eeden het bran­dendste wereldkwaad bij het symptoom wil beginnen te ge­nezen, dan is hij toch geen medicus, maar een medicijnman, die water giet om regen te krijgen. Als men hem bij zijn pro­paganda-lezingen vraagt, wie het kolossale werk betalen zal, antwoordt hij: "wie heeft de groote oorlog betaald?" en meent dan door zijn hoorders au sérieux genomen te wor­den. Het chimaerische[3] van zijn optreden wordt beklem­mend: als Ideaal en werkelijkheid zover van elkaar ver­vreemd zijn, moet een ineenstorting volgen, zéker als de ouderdom intussen de fundamenten sloopt.

 

Het enige praktisch-idealistische streven dat levensvatbaar bleek, was de met de Hollandse vriendenkring - L. E. J. Brouwer, J. I. de Haan, G. Mannoury, Henri Borel – op touw gezette "Akademie voor praktische Wijsbegeerte", waaruit de "Internationale School voor Wijsbegeerte" te Amersfoort voortkwam. Van Eeden's kring had er zich toen reeds van afgescheiden en hield nog enige jaren regelmatig zittingen ter bestudering van significa. Van Eeden genoot dit verkeer met superieure intellecten, al kon hij hun betoog niet altijd volgen, al vond hij er geen vergoeding voor de zoveel universelere, menselijk zoveel rijkere "Kreis" van 1914. Die was wel veel vager, maar als men deze signifische daden vergelijkt met wat Van Eeden ervan verwachtte ­ dan wenst men het realisme van Potsdam terug: de wereld kan niet gereorganiseerd worden zonder het werk dat zij doen, en zij zijn de enigen die het welbewust doen - hieruit volgt voor Van Eeden "de voldoening dat wij feitelijk bee­zig waren de waereld te verooveren en te beheerschen".

"Centraliseerende arbeid" noemt hij bij zijn terugblik op 1917 deze Akademie, de kring uit Potsdam, het spiritisme, en de nog stagnerende Sirius-cyclus.

 

Maar de aandacht voor het inwendig beleefde en van Ge­nerzijds afkomstig geachte gaat dan toch overheersen. Als Sirius' optreden later beschreven wordt, is de praktisch-so­ciale arbeid nauwelijks een poging meer tot realisme – maar hij blijkt dan immers ook geroepen, niet verkoren! Dat wil zeggen: dan heeft Van Eeden immers afstand gedaan van zijn Leiderschap.

Dan heeft hij de strijd opgegeven, doordat hij oud was ge­worden. De ineenstorting van '15 tekent zich, behalve in de literaire productie, nergens zo scherp af als in het dagboek[4]:  onvaster schrift, klacht op klacht over het verlies van her­innering, bladzijde na bladzijde vol hopeloze melancholie. Gelaten klinkt het 17 September 1917: "Het was heeden weer geheel mis. Er is niets aan te doen. Het lijf begeeft me en de ziel is nog niet in zeekerheid", en 27 December ' 18 : "Waarom moet het schoonste en beste geluk mij in den ouderdom begeeven? Van nacht en van morgen, wakker wordend, datzelfde droeve, leege, akelige gevoel van geen verzen meer te kunnen schrijven."

Het vers dat tenslotte ontstaat is: de Elegie.

 

Soms wijkt de depressie, voor kort, maar dan doemt de angst weer op, die zich vasthecht aan de oorlog, aan rei­zen, aan geldgebrek, aan de dood. Van Eeden tracht er met oude heldhaftigheid tegen te vechten, "maar de ouderdom is onverbiddelijk" en neemt de moed weg. "Ik dacht soms al aan een hospitaal-bed, als een rustplaats, waar alle verant­woording ophoudt. Maar ik zal strijden zoolang ik kan, tot ik beslist niet meer kan.”[5] Als de Grondpartij hem - op­nieuw - candidaat wil stellen voor de Tweede Kamer, Mei 1921: "ik zie geen uitkomst, ik ben nog niet oud en zwak genoeg om te weigeren."

 

Als denker had hij in 1911 de voldoening gesmaakt, bij Bergson exact uitgewerkt en scherp geformuleerd te vinden wat hij jaren tevoren als zijn beste wijsheid in Het Lied van Schijn en Wezen had neergelegd. De scheppende evolutie is door zijn dichtersintuïtie in vager omtrekken gezien, maar zelfs nooit, zoals in deze studie, als "Goddelijke Tendentie" geformuleerd. Dit herkennen is hem een vreugde maar moet toch, ongemerkt, bijdragen tot zijn ontmoediging: als "oor­spronkelijk denker"  moet hij zich overbodig gaan voelen.

Maar beslissend is de zedelijke ouderdom. "Elk menschenleven eindigt in een ijzingwekkende tragedie. Wat het ergste is, de greep van de ziel op de huulè, op het lijf, wordt steeds minder krachtig. Het lijf in zijn veroudering, wordt eigen­ machtig en oproerig. Het laat zich niet meer gezeggen. Het wil dit, het wil dat. En als ik, d.i. het verstand en de ziel, zegt: "het gebeurt niet!", dan gebeurt het t0ch, en het prestige van de hoogere functies daalt."  Dit is het thema dat in al Van Eeden's gepeins - Het Roode Lampje, Schijn en Wezen II, de redevoeringen over zijn bekering - tel­kens terugkeert. De klacht, die in Schijn en Wezen verloren gaat tussen Godsverlangen en tot het onuitsprekelijke stij­gende gedachtebouwsels,  is in het dagboek een luide zelf­aanklacht. Als hij na de Kerstmis, die hij als toeschouwer heeft bijgewoond, schrijft: "Ik griezelde van mezelven", dan staat die uiting te weinig op zichzelf, om geen bittere ernst te zijn.

 

Zo klemmend mogelijk dringt zich het besef aan hem op, dat hij voor de zozeer begeerde serene ouderdom alles moet willen offeren. En zonder dat hij het zelf schijnt op te mer­ken, gaat zijn levensgang gelijken op wat hij twintig jaar tevoren in Van de Koele Meren des Doods had uitgebeeld: "de levensmoeheid, de reiniging door zonde, de schending en verontreiniging van al het beste in ons, de stijging daarin tot de onteigening"

 

"Dieu détruit l'amour propre par une impureté apparente, (…) parce que ces sortes d'attaques humilient extrêmement une âme superbe."  Juist hierom noemden wij de zedelijke ouderdom beslissend, omdat dit verstrikt-raken in zijn begeerten hem zijn onverbiddelijke zelfkritiek hergaf, hem bevrijdde van ontveinzing, van schijn, en hem tot de werkelijkheid terugbracht. En dit breken van zijn hoogmoedspantser, dit zich schamel voelen was de grote voorwaarde voor zuivering en vernieuwing van Zijn ver­houding tot de realiteit en voor het terugvinden van inner­lijke harmonie? van het innerlijk met God verbonden, ge­religeerd zijn.

 

Maar de oude religie is dood voor hem. De wijsheid, die hij in zijn beste jaren met geestdrift had betracht en verkon­digd: de zuiverheid van de ziel door de beheersing der onge­coördineerde neigingen, de wijsheid als Richting-intuïtie der zuivere ziel - is een weten geworden, dat hij niet meer kan doorvoelen. De oude Licht-symboliek heeft haar levende zin verloren: het Grote Licht is geen voelbaar zonlicht meer, maar is sterrelicht geworden, ver, koud en raadselachtig. Het verloren geloof in de Goddelijke Tendentie vindt hij niet terug: wie de "werkelijkheid" als zondige verleiding ziet moet dualist zijn.

 

De vraag, welke richting Van Eeden's leven nu nemen zal, betekent in de lijn van deze studie de vraag, welke nieuwe houding hij vindt tegenover de "werkelijkheid".

Aanpassing, vlucht en strijd waren de drie mogelijkheden. De eerste kende hij hoogstens als noodzakelijk kwaad, de tweede verachtte hij, voor de laatste zette hij alles in. Maar de katastrofe van 1907 wierp hem uit de praktijk, en de voortzetting van de strijd als verkondiger werd steeds dui­delijker een vlucht.

 

Maar had Van Eeden zelf niet in Eudoxia getoond, dat dienen in eenv0ud óók een vorm van aanpassing is, en had hij niet aan háár deemoedig heldendom Jahwè 's justitie ad absurdum gevoerd? Had hij in Johannes Viator niet gesproken van "een liefde die geen wederliefde vergt", en bij de Koele Meren van "huisheiligheid"? Had hij niet nog pas in De Heks van Haarlem de dienende geneesheer gebeeld, die gelaten de betrekkelijkheid van ons weten en streven aanvaardt? Vindt hij nu zelf deze levenshouding, en daarmee het "stirb und werde"?

 

Het antwoord op deze belangrijke vraag is niet eenvoudig. Voor een leven van deemoedig dienende, actieve liefde was hij te oud, en allang te gedesoeuvreerd. De verhouding tot de "werkelijkheid" - die natuurlijk altijd de verhouding tot God weerspiegelt, vandaar dat men er een mensenleven aan kan toetsen - valt in de ouderdom weg, en alleen de ver­houding tot God blijft over. Niet Eudoxia, die van zelf deemoedig God en de wereld diende, maar Iwan, "die knecht van God wou zijn eer meester zijner driften", droeg in De Broeders de wezenstrekken van de dichter. Iwan, die "vreugde en pracht wou storten als met kommen over 't land", maar door bruut realisme verslagen en verbitterd wordt, en die dan toch in de uiterste foltering de uiterste zelfovergave vindt, roepende:

 

"Mijn Liefde wil geen loon, God! Pleeg uw recht.

Gij weet wat nood doet. Folter! Heer, verdoem!

Mijn Liefde doet ook nood, en buigt niet. 'k Blijf

U loven in diepste verdoemenis."

 

In deze gruwelijke 13e Acte heeft de dichter de eigen levens­avond onwetend voorspeld. Hij heeft in de aangehaalde woorden het wijsgerig-religieus probleem neergelegd, dat zijn leven, maar vooral zijn denken had beheerst: de Godde­lijke rechtvaardigheid, en deze overgave aan God in het Ka­tholicisme gezocht.

Maar zijn overgang tot de R.K. Kerk kan pas besproken worden, nadat in 't licht is gesteld wat hem rechtstreeks in Katholieke richting leidde.

 

Het tastbare teken van 't generzijds, waar hij naar hunkerde en dat zijn heldere dromen hem telkens weer in tergend on­vaste vorm schenen te geven, meende Van Eeden te krijgen in het "ontwaken" van zijn zoon Paul. Dit teken bereikte hem toen de somberheid zijn leven al bij vlagen teisterde, en nu klampte de naar verlossing dorstende vader zich aan deze zichtbare verlossing van zijn zoon vast:

 

"Nu gij hier niet meer zijt, maar leeft in ander Licht

Zoo zend mij dan somwijlen nog een licht bericht,

Ontstijg mij niet te ras in àl te lichte sferen ­

De vader kan de hand des zoons nog niet ontberen."

 

In sommige heldere dromen scheen wel iets van deze bede vervuld te worden, maar dat bleven vluchtige schaduwen.

Toen verschenen, een jaar later, de door Elsa Barker meege­deelde "Letters of a living dead man", die een bevestiging bevatten van Van Eeden's geloof: het waren realistische mededelingen uit het hiernamaals, die een gestorvene door automatisch schrift gegeven had om de mensen in te lichten.

 

Weer een jaar later, in April 191 5, kwam Van Eeden zelf in aanraking met een schrijfmedium, met wie hij te Amsterdam in kleine kring séances hield. Aanvankelijk manifesteerde zich alleen dezelfde persoon die door Mrs. Barker had gespro­ken, maar daarna iemand, die zei de tijdgenoot van Jezus Christus te zijn geweest, en met hem in de woestijn geleefd te hebben tussen zijn twaalfde en zijn dertigste jaar: de tijd waar­over de Evangeliën zwijgen. Deze geest, de "Samaritaan", deed in de loop van een lange reeks séances de uitvoerige mededelingen, die Van Eeden in Jezus' Leer en verborgen Lee­ven gepubliceerd heeft. De al te vage en voorzichtige verant­woording die hij aan dat boek toevoegde - "dat wie het geschrift voor een fantasie of poëtische fictie houdt, stellig dwaalt" - weerspiegelt zijn eigen scepticisme. En toch was deze ervaring in de loop van 1917 bevestigd door een soort­gelijke, Van Eeden zelf zo nauw mogelijk rakende. Onaf­hankelijk van de Amsterdamse kring vormde er zich te Hil­versum een, en hier manifesteerde ook Paul zich. De in deze kring ontvangen berichten ademden een Katholieke geest; Het Godshuis in de Lichtstad en Uit Jezus' Oopenbaar Lee­ven zijn eruit ontstaan. Maar Van Eeden bleef kritisch; hij voelde hier trouwens niet de empirische evidentie als bij Paul's sterven. "Er is in mij toch een hooger gezag dan de vrienden (sc. van generzijds)." Vier maanden later, na Paul's manifestatie: "Ik geloof de Vrienden zonder bewijs." Een jaar later: "Is het nu mijn plicht altijd scepticus te blijven? Of is het mijn plicht aan de neiging tot gelooven en vertrou­wen toe te geeven?" En dan weer: "Misschien is het Jezus­boekje toch niet echt, zoo peins ik dan. Er spreekt een stem zeer diep in mij, die mij terugwijst naar de beste waarheid die ik vond. Die in mijn verzen uitkomt."  Het zuiver sub­jectieve evidentiegevoel dat hier over waar en onwaar moet beslissen, wisselt met de wisselende stemmingen.

 

Voor zijn vrouw daarentegen was de "Samaritaan" een le­vende gevoelsrealiteit geworden, en door hem Christus en de Christelijke kerk. Haar overgang tot het Katholicisme is op die van haar man van grote invloed geweest.

Maar ongetwijfeld is ook hij door het Spiritisme tot het Christendom gekomen. Deze om verlossing van de aarde schreeuwende ziel had de verlossingsleer, die met de geschie­denis van zijn ras onverbrekelijk verbonden is, nooit door­leefd, en met de eisen van de hem vertrouwde Indische ver­lossingsleer alleen in zijn beste tijd ernst gemaakt. Nu brengt de "Samaritaan" de persoon van Jezus in vertrouwelijke na­bijheid; hij herleest de Evangeliën, die nu als werkelijkheid voor hem gaan leven. De gedachte "dat Jezus is een weezen, dat op eigen verlangen, is uitgezonden om ons voor te gaan en te leiden, en dat zijn dood aan 't kruis is als een voorbeeld dat ons de oovergang, de omzetting tot Brahman, onmiddel­lijk leert" aanvaardt hij gemakkelijk. Maar daarmee is hij nog niet Katholiek.             

 

Hij vertoefde toen enige malen als gast in de St. Paulus-abdij te Oosterhout. Daar leefde hij in de sfeer van rustige wereld­verwinning, zag de huisheiligheid om zich heen, vond men­sen die datgene bereikt hadden waarnaar hij zijn leven lang tevergeefs had gereikt. Weliswaar had hij dertig jaar gele­den de sereniteit in de wereld gesteld boven die binnen kloostermuren[6], maar die dertig jaren hadden hem minder veeleisend gemaakt. Hij vond hier een schone en blijvende geestelijke gemeenschap, in geordend verband over de hele aarde, aan één opperste gezagdrager gehoorzamend. Moest dat geen geweldige indruk maken op iemand die zich tot "centraliseerende arbeid" geroepen voelde, maar zich de krachten voelde ontzinken?

 

Maar beslissend is de leer van berouw en vergiffenis. Als men zijn leven lang geloofd heeft in de Stijging als 's men­sen bestemming, in de uiteindelijke staat van wijsheid en sereniteit, die de dood waardig en vertrouwd als opgang tot hoger staat verwacht - en men voelt dan zijn geest sneller verouderen dan zijn lichaam, men voelt desintegratie, ver­zinking in het chaotische, doodsangst -: hoe weldadig moet dan een geloof zijn, dat in zijn praxis de stijgingsdrang zo sterk mogelijk steunt, maar altijd met de menselijke zwak­heid rekening houdt en de spanning der stijgingsdynamiek wegneemt door de schuld te doen boeten en altijd weer een nieuw begin te maken - en dat tenslotte balsem heeft voor het schrijnen der doodsangst. De Mis, de Biecht en de Com­munie - Christus' Verlosserschap in zintuigelijk ervaarbare vorm - dáár heeft Van Eeden's overgang van afgehangen. Dit dient voorop te staan bij een nadere beschouwing der feiten.

 

In December 1918 brachten Van Eeden en zijn vrouw hun eerste bezoek aan Prof. J. V. de Groot O.P., die èn als mens èn als geleerd Thomist een aangewezen voorlichter was op theologisch-wijsgerig terrein. Daarna schreef Van Eeden in zijn dagboek: "De Katholieke Kerk, de Roomsche, is niet de Kerk van Christus. En haar voornaamste gebrek is juist dat zij den mensch den twijfel ontneemt. Ze geeft hem een zee­kerheid, die hij niet hebben kan en mag. Het tot God nade­ren in vrije liefde wordt daardoor verhinderd. Men nadert uit angst en uit behoefte naar vreede en rust. Maar God ver­langt de liefde uit eigen, persoonlijke vrije wil. (             ) God zal mij niet verlaten als ik Hem blijf liefhebben, omdat Hij mij schoon en beminnelijk voorkomt. Dat is het diepste gevoel in mij, en daaraan zal ik vastklampen. Ik weet dat ik een arme, berouwvolle, schuldige zondaar ben en niets te wachten heb als onverdiende genade. (       ) Ik wil mij echter niet blind oovergeeven aan het gezag van een groep menschen, en op die wijze een schijnbare vreede en rust verwerven." En over pater De Groot's kritiek op Jezus' Leer en Verborgen Lee­ven: "Er teegenoover past de houding van den onderzoeker, die niet "ja" en niet "neen" kan zeggen. En die houding is de schoonste en beste, zoolang wij als mensch staan voor het ondoorgrondelijke. Alleen voor het allereenvoudigste - ik heb God lief en vertrouw op Hem - daarbij komt een "Ja" te pas, een volkoomen stellig ja. Al het andere is uit vrees en angst gebooren en niet stellig. De roomsche leer is mooi en makkelijk, maar kan den moedigen waarheidzoeker niet voldoen."

 

Dit lange citaat brengt ons in medias res. Hoe sterk de ge­voelsgronden en de suggesties waren, die hem Rome deden zoeken, is al vooropgesteld. Hier staat ten voeten uit het grote beletsel: het leergezag. "Moedig waarheidzoeker" mocht Frederik van Eeden zich met het volste recht noe­men. Al zijn schrandere constructies - de Stamziel, de droomwereld, de Vrienden van Generzijds - heeft hij in­nerlijk als hypothesen beschouwd, zelf even bereid tot her­ziening als hij anderen wenste. Hij dwingt zich - in Het Roode Lampje b.v. - voortdurend tot indachtigheid van al die kenbare realiteit, die de dagelijkse ervaring wegsugge­reert: lichtjaren, spiraalnevels, electronen, evolutie-aeonen. Bovendien bleek zijn kentheorie maar één bron van zeker­heid te aanvaarden, het Ik, en al had hij dat ook zelf ad absurdum gevoerd in het Ik-Nu, toch bleef zijn overtuiging onverwoestbaar, dat "de goddelijke Arbiter in ons" het laat­ste woord heeft over waar en onwaar. Dit was meer dan een overtuiging, het was een instinct.

 

Ook zag Van Eeden in de jaren 1918, '19, '20 de zichtbare kerk zeer kritisch. "Het was benauwd in de kerk, muf, en de preek was wartaal." "Een preek over daalders en rijks­daalders en de betaling der H. Mis. Zeer antipathiek." Kin­dermis: "Een leelijke man, met een afschuwelijk stemgeluid, bad en preekte voor die kinderen, hen niet anders gevend als dogmatieke theologie (               waar een veel ervaren oud man niets van vatten kan                ) en gemeenplaatsen. (                ) Zoo mooi en indrukwekkend als het monnikenleeven was, (                ) zoo ge­vaarlijk en stuitend is dit formeeren van de kinderziel. Dit doet begrijpen dat er gezegd wordt: behoed uw kinderen voor den priester." Hij ontkent dan ook nog de identiteit van de R.K. Kerk, "de priesterorganisatie", met de Sancta Ecclesia, het mystiek lichaam van Christus.

 

Maar gaandeweg verminderen de ergernissen, en vermoede­lijk merkt Van Eeden dat hij ze met vele goede Katholieken deelt. De doop van zijn zoontjes, in Augustus 1920, "had niets wat mij ergerde of belachelijk voorkwam" en bij de Kerst-mis benijdt hij de communicanten.  Voorjaar 1921 is hij weer in de abdij: ook ditmaal vlucht in deze verheffende sfeer de gruwel van de melancholie. Steeds moeilijker wordt daardoor de strijd om de geestesvrijheid. Hij overweegt dat zijn conversie geheel van subjectieve evidentiegevoelens af­hangt; "zooals die gevoelens nu zijn, laten zij mij niet toe mij te onderwerpen aan het leergezag. Maar die gevoelens koo­men van God en kunnen door God gewijzigd worden. (    ) Ik forceer niets, ik stel mij oopen en wacht af, mijn plicht doen­de. Als God het tijd vindt zal Hij wel helpen." In Augustus '21 schrijft hij, dat Het Roode Lampje I en II en Jezus' Leer I en II zijn credo vormen. "Indien de Katholieke Kerk dat als credo aanneemt dan wil ik graag toetreeden. Maar dat zal niet gaan. (           ) Ik moet nu de eerste teekenen voelen van geloof."

 

Intussen was Prof. dr. Jac. van Ginneken S.]. deel gaan uit­maken van de signifische kring. Vooral Van Eeden, Prof. Brouwer en Borel toonden hun belangstelling in de Katho­lieke denkwereld. Daarop nodigde pater Van Ginneken hen uit om enige dagen met hem te vertoeven in het St. Jozef­-Studiehuis te Tilburg, waar zij, in plaats van antwoord op hun detailvragen, een uiteenzetting zouden krijgen van het Katholieke geloof als een organische, levende eenheid. Al­leen Van Eeden nam aan, en deze dagen brachten de beslis­sing. Op de terugreis naar Bussum stapte hij te Utrecht af om de Aartsbisschop zijn opneming in het verband der Ka­tholieke Christenen te verzoeken. "Het ging alles rustig en als vanzelve. Ik weifelde niet en Monseigneur was allerhar­telijkst. " Rustig gaf Van Eeden zich van deze stap reken­schap: "Ik besefte mijn onmacht en ik onderwierp me aan mijn lot. Dit houd ik steeds voor oogen en dit stilt mijn on­rust: ik ben te zwak en te schuldig om mij zonder de hulp van een machtige, geestelijke sfeer - zonder Gods hulp ­vóór mijn dood te ontzondigen. Ik kan en wil dit vrije lee­ven niet volhouden, want het zou mij geestelijk vermoorden. Ik kan niet. Ik ben onmachtig - ik heb de steun van de Kerk noodig, eeven als Jacob de Haan zijn religie noodig had. (                ) Ik dacht oover mijn drama "trots verbrijzeld". Zoo zal ik ook mijn trots verbrijzelen."

 

Zo bewust, zo waarachtig en zo nederig nam Frederik van Eeden deze beslissing. Het was het doorzetten van de zelf­inkeer, het afwerpen van het kleine ik, en als zodanig een wijze en goede daad, met de intuïtie uit zijn beste tijd in vol­komen harmonie. De velen, die hem om zijn moedig waarheidzoeken vereerd hadden en hem nu veroordeelden, kon­den niet weten, dat hij niet anders kon. Want de man die wij nu uit het dagboek werkelijk leren kennen, scheen in 't dagelijkse leven nog altijd actief, geestig, gevaarlijk-inne­mend, en maar enkelen hebben toen zijn ware innerlijk ge­kend. En wij zien nu ook, dat hij nog nà het besluit zichzelf erom verachtte: "Heeft God meer lief den dankbaren, dee­moedigen, alles van God goed-pratenden, zichzelven be­schuldigenden mensch? Of den Heren, oprechten, streng waarheidlievenden, onbuigbaren en vreesloozen mensch? Deze laatste kan niet Katholiek zijn. Maar toch is hij de meest sympathieke. Want een slaaf die zóó voor een meester kruipt achten wij niet."!!

 

Dat hij niet buiten de steun van de R.K. Kerk kon, stelde hem voor de noodzakelijkheid om het leergezag te aanvaar­den, en dat kon hij niet van harte. Zijn agnosticisme zat te diep, en zijn verzet tegen afgeronde waarheidsstelsels was te principieel. Ook maakte zijn honger naar zekerheid het op­geven van 't agnosticisme tot iets verleidelijks, zodat hij het bewaren van zijn geestelijke onafhankelijkheid als een zede­lijke plicht voelde, en zijn onderwerping aan de Kerk als in strijd met zijn overgave aan God.

 

Wel dwong de erkenning van het leergezag hem, alle ver­standelijke consequenties uit zijn bekering te trekken. Als hij belijdt te geloven in de remissio peccatorum, kan hij niet tegelijk onze Maker voor de verantwoordelijke blijven hou­den; hij moet nu aanvaarden wat hij het felst heeft bestre­den: de zondeval. Hij heeft in deze jaren zijn wereldbe­schouwing signifisch overpeinsd en aan het Credo getoetst.

Dan blijkt overduidelijk, hoe principieel het oude geloof in 's werelds Goddelijke Strekking gewijzigd was. Er bestaan drie tendenzen: T1 is de imperialistische, de drang naar macht en bestendigheid, T 2 is de daar tegenin gaande God­zoekende, de drang naar heiligheid, T 3 is de materie, aan de natuurwetten onderworpen, de huulè. D e beide eer­ste vormen samen wat in het oude denken de éne Tendentie was, maar dit laatste wordt nu gezien als T1, wat het pas in de tweede levenshelft gewor­den was. Jezus is de verpersoonlijking van T2 De mensen bevinden zich in de overgang van T1 naar T 2 in de meest verschillende graden van vooruitgang. Deeze toedracht van zaken wordt steeds duidelijker; alleen dit inzicht kan ons verzoenen met de werkelijkheid waarin wij moeten lee­ven."

 

Maar hoe groot deze toenadering tot de Katholieke leer ook was, nog in Het Roode Lampje trekt Van Eeden te velde tegen de verwerping der schepselen door een al-wetend, al­machtig, liefdevol God: "Nu nog, zoo goed als toen ik Ellen schreef, voel ik dat ik opstandig zou worden teegen een God­heid die niet in diepe deernis meeleed met den gefolterden mensch” En al aanvaardt hij wel de onbestaanbaarheid van een levende wereld zonder lijden, onze schuld tegen­over God blijft hij ontkennen. Telkens meent hij een oplos­sing te vinden, maar altijd ten onrechte: als hij overweegt dat Ik = Gij en wij dus, zelf Goddelijk zijnde, schuldig zijn tegenover onszelf -, dan is dat een allesbehalve Katholieke opvatting. En ook nà zijn doop vindt hij geen vrede: "De uitdrukking dat God het goede beloont en het kwade straft is wel waar, maar heeft signifisch onderzoek noodig. Want wie maakt het goede goed, en het kwade kwaad, als het niet is God zelf? (           ) zie! nu begrijp ik het woord geheel. Goed is wat tot Hem voert, slecht wat van Hem afvoert, dus straft of beloont hij het al of niet tot Hem koomen, door het gemis aan zijn aanweezen."  Maar dit had in De Broeders kunnen staan! Want waar is nu de onherroepelijke eeuwige verwerping op een bepaald ogenblik?

 

Op dit cardinale punt is Van Eeden nooit met de Katholieke leer in 't reine gekomen. Wie dus meent, dat de waarde van zijn conversie daarmee gemoeid is, moet hem voor een slecht Katholiek houden. De Kerk wist wel beter: de "wil" om te geloven was er; dat die wil niet altijd opgewassen zou zijn tegen een zo diep wortelende geestesstructuur, heeft zij zeker bij voorbaat vergeven.

De vergelijking met Iwan blijft desondanks juist.

 

Ongetwijfeld is het Katholicisme voor Van Eeden een zegen geweest. Het heeft hem moreel gesteund en hem - waarom het tenslotte gaat - momenten doen kennen van waarach­tig Godsbesef; het heeft zijn ouderdom meer verlicht dan enige andere macht ter wereld gekund had. Maar hem gene­zen van zijn zielskwellingen kon de Kerk niet. Met het toe­nemen van de ouderdomsverzwakking vermindert zijn weerstand tegen de melancholie onherroepelijk, en de lichte momenten" van tranenrijken vreede" waarom hij in een van zijn laatste verzen bidt, zijn zeldzaam. Wie Loutering, Mijn Handen en De Boeteling leest,  vindt daar samengevat wat in het dagboek een eindeloos en hopeloos lijden is. De angst speelt zijn oude wrede spel[7], nog verergerd door hallucina­ties; het schuldbesef wijkt voor geen absolutie en klampt zich aan het verbreken van zijn eerste huwelijk vast: hij kastijdt zichzelf door het zesde sonnet uit de Tweede Zang van Ellen op te zeggen, en na elke ontmoeting met zijn eerste vrouw komen er uitingen als deze: "er is nooit een toespeeling in haar woorden. Zij neemt alles eeven blijmoedig. Gister avond bracht ik haar naar den trein, daarin is een weemoedige rust, waarin ik oover onverschillige dingen spreek, en blij ben haar koffertje te moogen dragen.,, Onder dit alles schrijft hij Sirius en Siderius III, dat ongelezen, een paar drama's, die ongespeeld, krantenartikels, die vaak ongeplaatst blijven. Er is in dit koortsachtig werken een allertragischt verweer tegen de slopende kwaal, een verweer dat bewust wordt als hij het verwarren van zijn gedachten gaat merken. In '26 en , 2 7 staat het tweemaal in zijn dagboek: "Vader in den Heemel! Laat mij helder blijven tot het einde!!" "Heer, spaar mijn geest en de helderheid van mijn verstand. Laat mij lijden wat u goed dunkt, maar tast mijn geest niet aan."

 

Toen wachtten hem nog vijf levensjaren, waarin het ergste hem niet bespaard bleef. Steeds vaker voelde hij zijn gere­gelde denken haperen, en steeds vaker zag hij dat zijn pen niet schreef wat hij wilde schrijven; hij voelde zich wegzak­ken in een staat van de volslagenste lichamelijke hulpbehoe­vendheid, langzaam en onweerhoudbaar, aangegaapt door de angstwekkende geheimen, die hij het grondeloze zwart der oneindigheid niet had kunnen ontwringen. Toen zijn lichaam stierf, had hij den geest allang gegeven.

 

 

Uit: Frederik van Eeden, denker en strijder
Dr. H.W. van Tricht – 1934

 

 



[1] Al dadelijk 26 Aug. 1914: "En nu, voordat (de geldzorgen) over­wonnen zijn, dit aller-allerzwaarste. En mijn machteloosheid!"

[2] Intieme brieven, tijdens de reis geschreven, bewijzen dit.

[3] hersenschim

[4] Ook in de Brieven aan Borel - die overigens in hun harde oprecht­heid de sterke zijde van V. E. tonen.

[5] Verg. Iwan in de 3e Acte van De Broeders: "Moet 'k wachten tot ik val? of mag 'k gaan liggen?"

[6] Kritisch staat V. E. in het begin tegenover het economisch "parasitisme" en tegenover het uitsluitend-contemplatieve van het kloosterleven: "Maar daarbuiten, in de schaduw van het klooster, krielen de vervuilde, verwaarloosde kinderen in de modder. En wach­ten tot een Christen hen met een niet-symbolisch bad, en werkelijk dienende liefde uit hun vuile ellende opheft." R. Lampje I

[7] "Vannacht viel ik in mijn slaap tusschen de sterren omlaag (of omhoog) in grondelooze diepten. Ik was doodsbang en bleef dat ook bij 't ontwaken." D. 30 Dec. 1926.

 

 
 

Het Antwoord

(Lees eerst kolom 1 en daarna kolom 2)

 

 

Hoe ben ik beschaamd, ik wou zacht spreeken,
mijn waan brak, ik ben verneederd, en zoo gelukkig.

 

Met gevouwen handen in mijnen schoot zat ik neer,

omhoog ziend als wie een schat kreeg uit den heemel.

 

Trotsert, zeide mijn hart, zul je wéér groot doen?

Zul je wéér spreeken als een machtige oover zichzelf?

 

Ik lig neergeslagen als het graanveld na slag-reegen,

langsaam maar heft God's goede zon mij op.

 

Langsaam vervliegen in zijn licht de zware schitterende droppen

de zoete tranen mijner verneedering.

 

Wat weeten wij, dwalers, neuswijze kinderen,

wat kennen wij onzer eigene domeinen?

 

In wat woordpraal wanen we beslooten onze ziel ?

Een kind hoort wel de gansche zee zelf in een kinkhoorn.

 

Op ons onmeetelijk weezen groeien de kleine gedachten,

zooals kleine kruiden en mos op eeuwige gebergten.

 

Luid verkonden wij onze meeningen en besluiten,

Zeggend: "Ik ben, ik wil, ik weet, ik doe."

 

Maar het gevaarte onzes weezens weet hiervan niet.

Ziet men 't mos op de bergen, als ze strak blinken aan blaauwen horizon?

 

Waar is ik? Wie is de ik-zegger die recht heeft?

Voorwaar, er zal geen ik-zegger zijn buiten God.

 

De mensch zegt: ik wil, maar in hem wil de Eeuwige.

Wie zijn Zelf vatten wil, zijn hand tast in de oneindigheid.

 

Inwaarts tuurend door-ijlt onze blik de grondlooze

in zich kokerende verschieten, al heller en inniger, waaraan geen einde is.

 

Ik riep omhoog als een eenzame zonder verwachting —

Hoezeer heeft het antwoord mij beschaamd!

 

En ik zeide Gods aangezicht niet te zullen zien.

Ik keek op van 't geschreevene, en zie ! waar was Hij niet ?

 

Ik zag Hem bij nacht en bij dag, in droom en in waken.

Ik zag Hem in 't weemelend water, in de grashalmen voor mijn venster.

 

Ik zag Hem in 't licht der maan, ik zag Hem in de duisternis,

Zijn antwoord was in 't voogelzingen, ik hoorde Hem in de stilte.

 

In de eenzame stilte, als alleen 't bloed spreekt.

De vlinder heeft mij van hem gesprooken en de morgenzon.

 

De bevonkte heemelen antwoordden, de verbazenden.

De storm sprak, ook het fluisteren der liefste was van Hem.

 

Zie, der teere bloemen fijn uitgebeelde kleur-gedachten,

om Hem alleen zijn zij aanbiddelijk.

 

Ik wist het alles, maar ik wist het toch niet.

Want ik zocht Hem immers waar mijn oogen niet reiken.

 

Dwaas, die in 't leedig staarde!

Zijn volheid omringt mij toch als den visch het water.

 

Maar wij willen Hem niet zoeken waar hij zich te kennen geeft.

Wij willen de heemelsche gloed en de oopenbaringen terstond.

 

Het lofzingen zijner Engelen willen wij hooren,

Zijn lichttroon willen wij zien gevest in des Heelal's midden.

 

Met deeze handen van vleesch willen wij het eeuwige tasten,

Ons bevreedigt niet de vreugde van 't voorbijgaande.

 

Toch heeft hij ons alleen deeze vreugden gegeeven

opdat wij Hem er in kennen zouden, en anders niet.

 

Hebben wij niet de lichte velden en het koele water,

de mooye bloemen naast ons en de geurige vruchten,

 

de dieren met hun wonderbaar weezen, elk een schoon raadsel,

de geheimen der natuurkracht, zoet om te doorgronden,

 

de eindelooze ruimte vol waerelden,

bevolkt met vreemde verbeeldingen.

 

en het heerlijke begrip en de muziek,

en elkander - O de liefde hebben wij immers!

 

Daarin alleen vinden wij Hem,

ooveral waar vreugd zeer heerlijk is en verheven.

 

Waar wij lust vinden die sterker maakt en verheft,

waar wij de zielen voelen groeyen en stijgen in vreede.

 

Want Hij is licht en vreugdrijk, Zijn weezen is zaligheid,

smart is waar Hij niet is, lijden is gebrek aan Hem.

 

Daarom lijden zoozeer wie Hem 't meest begeeren,

dan komt Hij, hun heilige smart verkeerend in zaligheid.

 

Mijn hand trilt en van tranen zie ik 't geschreevene niet

omdat Hij mij zeggen laat meer dan ik wist te weeten,

 

omdat ik Hem zoo goed kan noemen, die mij zoo geslagen heeft,

omdat ik, de met zooveel smart gezeegende, Hem zoo danken moet.

 

In den nacht heb ik wel getwijfeld, in de naargeestige uuren,

maar hoe mijn gedachten zwerven, mijn hand schrijft geloof.

 

Zijn stem gaat door mijn lippen, ze reinigend,

verkwikt sta ik op van 't schrijven, glanzend mijn oogen.

 

Wij hoogmoedigen twijfelen, omdat vreugden vlieden.

Is God dan in 't vergankelijke? — En wat is er meer?

 

Maar de neederige leert zien hoe niets vergaat,

bij leert het altijd-duurende erkennen in 't vergankelijke.

 

De hoogmoedige vertrapt de teere schatten om hem,

door zijn vloeken hoort hij Gods zachte roepstem niet.

 

Maar wie de lijnen en kleuren eener bloem leerde liefhebben

tot hem heeft God gesprooken, als de meester tot een aandachtig kind.

 

En wie de schoonheid der avondstonden voelde tot hij schreide,

voorwaar! Gods eigen hand is hem zeegenend op 't hoofd gelegd.

 

Maar wie verrukt is geweest door gansch onzelfzuchtige liefde,

die zijn eevenmensch bemind heeft in festijnen van vreugde,

 

ja, hem heeft God zelf de lippen gekust,

hij heeft het vaderhart des Eeuwigen voelen kloppen.

 

Weest toch niet bang en verlaat u maar, goed-willigen,

waar zeer groote vreede is en vreugde, daar vindt gij Hem.

 

In heilige boeken heeft Hij zijn wet doen staven,

maar in elk hart schreef hij ze nog eens, méér kennelijk.

 

Met letters van lichtspreidende pijn,

vuurige woorden van felle heerlijkheid.

 

Acht het niet, wat menschen goed noemen en wat slecht,

laat u niet meedesleepen en niet verschrikken,

 

maar geeft acht op het innerlijk gericht,

vraagt de bevestiging van Gods eigen mond.

 

Hij spreekt zacht maar kennelijk,

aan sterke vreugde en rust zult gij Zijn woorden kennen.

 

Doch hij spreekt niet tot wie zelfzuchtig is en bevreesd.

In den storm van hartstocht verstomt Zijn geluid.

 

Door de poorten der verneedering komt Hij ons hart binnen.

Vreest niets en verlangt niets en alles geeft Hij u.

 

Laat los, bangelijken, oopent de krampachtige handen!

Laat los tijdelijk houvast, vertrouwt u moedig aan het eeuwige.

 

Volgt aandachtig en geduldig, ziet niet angstig achterom,

zoo gij dwaalt, Hij zal u door smart terechtwijzen.

 

Zoo gaat blij en onverschrokken, zijn heerlijkheeden zoekend,

vreest zijn terechtwijzing niet, noch ontwijkt ze.

 

De menschen zullen u waarschuuwen en haten

maar God zal u troost geeven en macht oover hun boosheid.

 

Gaat als een wandelaar, die 's morgens uittrekt naar mooye, onbekende landen,

gaat als een voogel die al zingende omhoog stijgt.

 

Hoe gemakkelijk is het zingen in den morgen

voor wie Gods lichte werken in zich heeft.

 

Hij vindt zonder zoeken, hij is echo van Zijn stem,

hij vertelt het gebeurende als een blij kind.

 

De wonderen staan zoo duidelijk voor zijn oogen.

Zij zeggen: „hier ben ik!" noemend hunnen naam.

 

Tot mooi-spreeken spant hij zich niet,

zijn gedachten zijn gezangen, welluid is zijn zelf-gesprek.

 

De menschen verlieten mij, de een na den ander,

veelen heb ik vriend genoemd. Waar zijn nu mijn vrienden?

 

Waar vind ik wijdheid van vertrouwen, dag aan dag?

Ook die mij 't zeerst liefhebben beklagen zich oover mij.

 

Omdat ik naauwkeuriger acht geef op het waarachtige,

omdat ik stoutmoediger waag te doen wat mij recht schijnt.

 

Maar waarlijk de Eenige heeft mij niet teleurgesteld,

mijn ziel is gelaten, mijn geluk stijgt dag aan dag.

 

Toch heb ik nu eerst al mijn zonden gezien,

opdoemend als rotsen rondom een schip in neevel.

 

Daaraan moest ik te pletter gaan, dacht mij.

Ik boog het hoofd geduldig, ik genoot den kwaden roep.

 

En zie! in veilige haven ben ik gevoerd,

rein ben ik, als toen ik gebaad was op den dag mijner geboorte.

 

O mijn Vader, vaak heb ik van wonderen gesprooken,

hoe anders zijn ze, nu ik ze waarachtig gebeuren zie.

 

Zoo is het ontmoeten van wijdvermaarde menschen,

zij bedroeven de verwachting, maar de droefheid wordt beschaamd.

 

Onze denk-beelden zijn grof en ontoereikend,

maar het Zijnde is ontzachlijk en zeer subtiel,

 

Hoelang reeds niet weet ik wat wij noodig hebben!

Ik wist het immers toen ik als knaapje naar school ging ?

 

Vroome wijsheid behoeven wij, maar wie kent den weg er heen?

Nu ik in mijnen middag sta, nu eerst ken ik den weg.

 

De morgen verging, het schoone leeven neigde ten avond,

nog was de weg niet gevonden, en het doel zoo ver, zoo ver.

 

Nu is mijn tred vast, mijn ziel rustig —

maar ach! wie vergoedt den verlooren tijd?

 

Nu weet ik hoe de vroome wijze te leeven heeft,

zijn zwaren gang weet ik — en zijn onvergelijkelijke zeegeningen.

 

Nu weet ik waar de wateren des leevens vloeyen.

nu weet ik waar zij bloeit, de passie-looze Leelie,

 

de heilige bloem der vroome wijsheid,

die macht geeft oover het kwade en oover den dood.

 

Maar helaas, het is nog ver!

En hoeveel zijn de dagen die mij resten?

 

Hoe wordt het schoone en heilige leeven nog misbruikt!

Hoe vermorsen wij jammerlijk onze kostbaarheid!

 

 

 

Wij verkwisten ons duurste goed als onnoozele kinderen,

als het domme vee dat zijn voer vertrapt,

 

En toch is in ons bereik een leeven vol heerlijkheid,

de macht tot allerhoogste zeegeningen is ons geschonken.

 

De deur staat oopen tot wat alle droom en hoope oovertreft,

tot vreede en geluk op aarde en zaligheid in den heemel.

 

Zijn onze verbeeldingen niet schamel en klein?

Is ons denken niet armzaliger dan het bestaande?

 

Wie zal dan zijn hoope schooner wanen dan de werkelijkheid?

Wie zal Gods Heerlijkheeden in verbeelding te booven kunnen gaan ?

 

Heerlijk, heerlijk is het leeven des vroom-wijzen.

In het leeven vindt hij zeegen, met den dood neemt hij genoegen.

 

Leevende zoekt hij de schatten die hij in sterven behouden zal,

hij ontvangt van 't Leeven wat de Dood niet ontneemt,

 

Hij gaat door zijn dagen als een blijmoedig strijder.

In zijn nachten proeft hij den voorsmaak van Gods belooning.

 

Het lijden weerstaat hij als een held.

als een reiziger die den straatroover oovermant en bindt.

 

Zijn blikken zijn als vuur, verzengend het slechte en leelijke,

de schoonheid schittert hem teegen waarheen hij schouwt.

 

Hij gaat door de droeve straten, de vuile achterbuurten,

maar de zwaarmoed smelt voor zijn oogen als ijzel.

 

Waar hij zijn hand oplegt, daar vliedt de doodsvrees,

het leeven wordt gesterkt en het geluk ontbloeit.

 

Hij weerstaat het kwade niet, maar het verwelkt voor zijn aanweezen,

het kan niet zijn waar hij is, door een Gods-wonder.

 

Hij leert te zien het waarachtige, maar het droeve en sombere niet,

want het waarachtige is vreugd en schoonheid, en is in alles.

 

Toch voelt hij alle lijden en is niet hard,

hij lijdt om den onweetende, den hartstochtelijke, den schijn-vroome.

 

Want hij weet dat hij niet zalig kan worden alleen,

hij wil niet de meerdere zijn booven zijn broeders.

 

Maar in een feest van veelen zou hij gelukkig zijn,

zijn wijsheid is een brandpunt van veele stralen lichts .

 

Zijn hartstochten zijn niet in hem verlooren gegaan,

maar bedwongen tot staat van leevendiger spankracht.

 

Zooals bedwongen beweeging tot hitte wordt, daarna tot licht

zoo wordt zijn hartstocht stil en glansspreidend 

 

In sooberheid leeft hij en zeer groote reinheid,

door zorgvuldige orde leeft hij dubbel.

 

Geen zuivere vreugde is hem te gering,

verheeven is hij door natuurlijkheid.

 

Hij beijvert zich niet goed te doen,

hij doet goed zooals 't water omlaag vliet.

 

Hij legt zich niet toe op volmaaktheid,

maar God zeer liefhebbend wordt hij van zelve volmaakt.

 

Hij wenscht voor zich geen deugden noch zeegening,

God wenscht hij te gerieven, als zijn eenigsten, liefsten vriend.

 

Zoo koomen deugd en zeegen zijns ondanks,

uit nooddruft ontstralen hem blijmoed en goede werken.

 

De Schepper aller waereld is zijn innige vertrouwde,

Hem kent hij beeter dan vader, moeder, liefste of kind.

 

Van uur tot uur leeft hij met hem,

in bangen en langen, in verrukking en beproeving.

 

Hoe kennen wij onze lieven? wie heeft een gansen mensch gezien?

Huid en oogen zien wij, wij voelen handen en hooren stem.

 

Maar de gansche mensch is onzen zinnen een verborgenheid.

Niets weeten wij van hem dan door bemiddeling.

 

Zouden wij dan niet eevenzeer onzen God kennen,

schoon wij niets van Hem weeten dan door bemiddeling?

 

En tot den vroom-wijze spreekt hij zeer onmiddellijk,

ja, meer onmiddellijk dan vader, moeder, liefste of kind.

 

En zooals een vriend den lieven vriend meedeelt van het zijne,

zoo geeft God van zijn eigenheeden aan wie zijn vriend is.

 

Van zijn goedheid geeft hij, van zijn vreede, van zijn zaligheid,

van zijn macht oover het kwade, van zijn kennis aller dingen,

 

ja, van zijn scheppingsmacht deelt hij meede.

Den mensch, zijn maaksel, maakt hij tot maker.

 

Maar wat ons lijfje is in de ruimte vol zonnen en waerelden,

dat zijn onze gedachtetjes in Gods gedachte.

 

Zie het vuurige zonnelijf door den befloersten kijker,

met zijn vlekken en vlammen, zijn aureolen.

 

zijn donkere kolken, zijn wervelstormen van vuur,

zijn ziedend rond-zwierende gloed-oceanen, zijn licht-orkanen,

 

zijn getakte vlam-fakkels millioenen mijlen hoog,

zijn hittesfeeren waarin de rotssteen vluchtig moet zijn.

 

Wij aanschouwen vlokken en kooksels en uitzwalpingen.

Sombere holten waarin duizend waerelden verzwinden kunnen.

 

Het is alles vervaarlijk, onbegrijpelijk, wij hooren geen geluid,

verblindend is het en doodstil, schijnbaar onbeweegelijk.

 

Maar wee ons! zoo het gehoord kon worden, wat ware het geluid!

Wee ons! wat ware de snelheid zoo wij nabij waren!

 

Aanschouw het langen tijd, verdiep u in het onbegrijpbare

Nochthans bestaat het, niet ééns, maar eindeloos veel malen.

 

Zooals dit stoffelijk bestaan is voor ons stoffelijk bestaan,

méér onbegrijpbaar nog is Gods geestelijk weezen voor het onze.

 

Doch ons klein lijf kent de geweldige zon als mild en liefelijk.

Dierbaar is zij ons en vertrouwd. - Wat dan der ziel?

 

Zoo leeft de vroomwijze met den almachtige in vertrouwd verkeer

Hoezeer verheeven, niemand geringer vertrouwt hij gansch.

 

Vol geheimzinnige leidingen is ons leeven.

Onkenbare machten omringen ons met invloeden.

 

Ooveral, ook hier om ons, zijn ontelbare schepselen,

Engelen en demonen, heilige en ellendige.

 

Welke dwaas acht zich de hoogste creatuur?

Zou er geen schepsel meer zijn tusschen mensch en God?

 

Maar de vroom-wijze betrouwt God alleen en vreest niet.

Hoe anders zou hij heilig van onheilig onderkennen ?

 

In het land der droomen beweegt hij zich welbewust en willekeurig.

Tempels en melodieën schept hij er door zijn woord.

 

Hij ziet de demonen en de geesten,

de gevaarlijken doet hij wijken in naam van God.

 

Licht-glimpen krijgt hij er van verborgen kennis,

van de dingen die ver weg zijn, van de dingen der toekomst.

 

Want de droomwaereld is de waereld waarin ziel en lijf gescheiden zijn,

waarin tijd en ruimte verwijderde dingen worden.

 

Zoo leeft hij 's nachts in den scheemerenden voorhof van 't génerzijds.

beproevend de toeneemende krachten zijner ziel.

 

Maar ook wakend zal er kracht van hem uitgaan,

zal hij booze machten beheerschen en het verborgene gewaarworden,

 

onder heiligen invloed schoone kunstwerken scheppen,

zieken geneezen, zwaarmoedigen beweegen tot geduld.

 

Maar al zijn macht is in zijn liefde tot den Volstrekten,

hij helpt alleen waar hij die liefde meedeelt.

 

Die liefde moet hij voelen zooals het lijf hitte voelt of pijn,

zoo echt en werkelijk, als het groote gevoel zijns leevens.

 

De kiem deezer liefde is oprechtheid onverbiddelijk,

wie de waarheid liefheeft bemint God immers reeds ?

 

Wie zondigt in oprechtheid, voor hem is vergeeving,

ja, wie Satan liefhad in oprechtheid, zijn eind zou bij God zijn.

 

Wie zijn waarachtigen aard deemoediglijk volgen durft, hij zal terechtkoomen,

maar wie booven zijn macht grijpt valt in duivels hand.

 

De wijze erkent zijn zwakheeden en kinderlijke begeerten

hij zal met trachten te leeven als een volmaakte,

 

Hij ooverspant zich niet tot onnatuurlijke heiligheid.

Hij zegt neederig: “ach! ware ik beeter, maar zóó ben ik".

 

Alleen door liefde tot waarheid wil hij beeter worden.

zoo wordt eens het heilige leeven hem natuur.

 

Hij zal durven doen wat alle waereld zonde heet,

zeggend: „ik weet niet beeter, God straffe mij dan zoo ik dwaal".

 

Orn God noch mensch zal hij zijn weezen verkrachten,

weetend dat niemand met vóórwending gediend is.

 

De echtheid van zijn gevoel herproeft hij vóór alles.

Zelf-bedrog vreest hij als de eigenlijke hel.

 

Waren niet gansche mensengeslachten in de macht der loogen?

Maar in elken enkeling wordt de waarheid herbooren.

 

Zoo zal hij zijn innerlijk weezen zuiver houden,

als nieuwe leevens-bron en schatkamer der waarheid

 

Er zijn er die vragen : Waar is God? Hoe zal ik Hem kennen?

En kan men zichzelf deeze liefde gebieden?

 

Maar woorden kunnen niets brengen waar niets is.

Een lamp der erkentenis zijn ze in verborgen schatkelders.

 

Neemt mijn lamp en doorzoekt uw binnenste,

Gij zult er schoone liefde vinden voor God,

 

liefde voor de waarheid, voor het waarachtige,

verlangen naar vreede en geluk, en naar kennis van het zijnde.

 

Elk onzen vader kennen wij door gelaat en stem,

aldus kennen wij God door waarheid en vreugde.

 

Van het licht zeggen wij : het is, maar de duisternis is niet,

zoo is de heilige vreugde werkelijk, maar de somberheid is niet.

 

En zooals de mensch meer leevend en persoonlijk is dan zand,

zoo is God meer leevend en persoonlijk dan de mensch.

 

Ja, Hij is het eenigst waarachtige leeven en de eenigste persoon

Hij is de Ziel aller zielen, het volstrekte leeven.

 

Wie naar Hem het aanzicht richt wordt ziende,

en ontvangt den sleutel aller raadselen.

 

Wat de mensch als waarheid liefheeft, het zal hem liefhebben,

noem het licht logen en gij blijft in duister.

 

Maar verheft u en weest uzelven getrouw

en de heerlijkheden uwer ziel zullen u ontroeren.

 

Zooals Hij, antwoordende, mij geringe ontroerd heeft,

toen Hij mijnen waan brak omdat ik Hem vertrouwen bleef.

 

Uit: De passie-looze Lelie - deel III

 
 

Een Parabel

 

Door Zoölogos (pseudoniem van Frederik van Eeden).

 

Er was eens een rijk man, die een groot beest in een kooi hield. - Het beest was nuttig voor hem en heel sterk.

Het kon stenen breken en zwaar werk doen. Daarom voedde de rijke man het. Ja! het beest was zo sterk dat de rijke man het niet aandurfde. Daarom hield hij het in een kooi.

Er was eens een dichter gekomen om het te zien. Hij bleef er lang en ernstig naar kijken, nam daarop een zeer groot stuk krijt en schreef boven het hok: ‘Schrecklichster der Schrecken.’

Maar er kwam ook een wijsgeer om het zonderlinge beest te zien. Deze keek nog langer en bedenkelijker dan de dichter en vroeg eindelijk:

‘Is het beest gegroeid?’

‘Hm!’ zei de rijke man, ‘het is misschien wel iets groter geworden.’

‘Ja! ja!’ zei de wijsgeer, ‘het zal nog meer groeien. Het hok zal te klein worden.’

‘Kom! kom! - zo’n vaart zal het vast niet lopen.’

Maar de rijke man was daar niet geheel gerust op en keek dikwijls naar zijn beest, of het hard groeide. Het werd ook slimmer en leerde allerlei geluiden maken, die op mensentaal leken.

‘Dat is een aap!’ zei een zoöloog die langs kwam. ‘Pas op, het zou nog wel eens een mens kunnen worden.’

‘Wat, dwaas!’ zei de rijke man, maar hij was er toch helemaal niet gerust op.

En de wijsgeer kwam opnieuw en zei:

‘Echt! het hok wordt te klein. U moet er iets aan doen. Pas op als het beest losbreekt! - dat zou noodlottig zijn!’

Toen zei de zoon van de wijsgeer, die geluisterd had:

‘Zeker, mijn vader heeft gelijk. Het zal losbreken. Het komt er uit! er uit!’

En hij begon aan de spijlen van het hok te trekken en het beest te sarren, zodat het brulde en de tanden liet zien.

‘Ziet U wel! - het wil er uit!’

‘Gekheid!’ zei de rijke man, maar hij was heel bleek. ‘Het hok is sterk!’

‘Neen! neen! het is oud,’ zei de jonge man en brak een spijl van het hok weg. ‘Als het beest wil .... kijk maar!’

‘U moet een groter hok maken,’ zei de wijsgeer.

‘U moet het beest dresseren en laten rondlopen. Dan wordt het een mens!’ zei de zoöloog.

‘Gekheid,’ antwoordde de rijke man en hij gaf het beest klontjes suiker en zei: ‘zoet beestje! lief beestje!’

Maar het beest liet de tanden zien en schudde aan de spijlen, want het was gesard.

Toen bond de rijke man met wollen draadjes de spijlen van het hok vaster en plakte kranten voor de openingen.

‘Dat helpt niet,’ zei de wijsgeer.

Maar zijn zoon begon te schreeuwen: ‘Pas op! Pas op! het beest zal er uit komen! - Kijk maar! ksst! pak ze! pak ze! pak ze! - Het is te groot! het heeft recht om er uit te komen.’

‘Voorzichtig!’ - zei de wijsgeer. ‘Zou jij willen dat het er uit kwam? - Het zou ons immers verscheuren.’

‘Nee! ik wil het niet, helemaal niet,’ zei de jongen. ‘Maar het zal toch gebeuren! kijk maar! Ksst! ksst! – het heeft honger, en het zal u verscheuren, rijke man, het is allemaal uw schuld, u verdient het! - toe maar beest! Pak ze! pak ze!’

‘Ik ga weg!’ zei de zoöloog.

Toen trok de jongen weer een spijl uit het hok weg. Nu kon het beest er juist door, - het sprong er brullend uit en verscheurde eerst de jongen, toen de rijke man en eindelijk de wijsgeer.

De zoöloog was gelukkig al vertrokken.

En het beest, nog niet slim genoeg om zijn eigen voedsel te zoeken, is later uit zichzelf weer in een ander hok gekropen. Daar zit het nog, maar het groeit nog steeds door.

 
 

SIDÉRISCHE GEBOORTE.

1911 – Uit: Studies – zesde reeks.

.

Wij hebben de sterrenwereld met onzen geest omvat. De sterren zijn opgenomen in het gebied onzer be­schouwing. Er is niet meer een Hemel "daarboven". De aarde behoort tot den Hemel. Er is ook niet meer een Vader "daarboven". Want er is geen "daarboven".

Men spreke niet van "zinnebeeldig". Het woord "daarboven" was geen zinnebeeld, evenmin als "Hemel".

Voor allen die ons vóórgingen, was er een bo­ven en een onder. Het was er voor profeten en apostels, voor vromen en mystieken, Het was er voor Plato, voor Jezus, voor Dante. Hun gedachte kon niet zijn onze gedachte, want zij hebben niet gekend wat wij kennen, ze hebben niet geweten wat wij weten.

Jezus' hemelvaart is geen zinnebeeld.

De bedoeling was dat hij werkelijk "naar boven" ging. Voor hem en al zijn volgers had dat zin. Voor ons kan dat geen zin meer hebben.

 

Er zijn thans die menen, dat de wijzen der mensch­heid altijd geweten hebben, wat wij weten betreffende de allerhoogste dingen. Over de ziel, over God, over het eeuwige leven, beschouwen velen nog de woorden der oude wijzen als volkoomen afdoend.

De kerkelijk vromen menen dat al onze wijsheid reeds bevat is in wat hun profeet heeft geleerd, dat wij niet anders kunnen geven dan toelichting, bevestiging, voltooiing.

Maar dat kan niet, want géén profeet heeft de natuur gekend als wij. Al wat "natuur" heet, het zichtbare en tastbare, is openbaring van het eeuwige Wezen, het goddelijke Leven. En hoe zal iemand het Leven be­grijpen, die de openbaringen er van niet begrijpt?

 

De intuïtie der oude wijzen deed hen wél in menig opzicht zuiverder en juister denken dan de meeste menschen van onzen tijd. Alle woorden van Jezus hebben voor ons een leerrijke betekenis. En onze natuurkennis behoeft ons niet te beletten te geloven wat thans door velen als onmogelijk wordt verworpen.

Geen enkel Bijbels wonder kunnen wij, uit kracht onzer natuurwetenschappelijke kennis, onmogelijk noe­men. Integendeel, onze meerdere kennis toont ons meerder, niet minder mogelijkheden. Het begrip "won­der" verdwijnt, niet door verenging maar door verruiming van onze begrips-kring.       

 

Maar wie, ook met de ruimste opvatting, met de meest eerbiedige ontvankelijkheid, Jezus' woorden leest, moet onmiddellijk erkennen dat hij zoo spreekt omdat hij niet wist, evenmin als alle wijzen uit vroeger tijden, wat wij wèl weten.

Jezus wist niet dat de sterren zonnen waren, de meesten groter en heter dan onze zon. Jezus wist niet dat onze zon, als een kleine, te midden van eindeloos velen, dreef met een stoet van planeten, door een ledige wereldruimte. Jezus wist niet dat de aarde wen­telde, en honderd millioenen wentelingen om de zon al had volbracht. Jezus wist niet dat de lichtkonde der sterren veel honderd duizend mijlen per seconde ijlend, ons nochtans eerst na jaren bereikt. Jezus wist niet dat het mensenras zich in aeonen tijds ontwikkeld had uit eencellige wezens.

Dit is niet in weerspraak met het geloof aan zijn goddelijke aard en oorsprong. Maar als mensch was hij gebonden aan menschelijk weten.

 

Wie erkent dat er één wereldorde is moet toegeven dat elke nieuwe, wezenlijke wijziging in het inzicht dier orde ook alle andere inzichten niet onveranderd laat.

Niemand kan absolute waarheden zeggen, al onze waarheden zijn benaderingswaarden. Elk nieuw feit dat wij leren verandert de relaties dezer waarden.

Waarom geloven wij niet meer aan goddelijke inter­ventie in al die tallooze gevallen waarin onze voorouders, ook de apostelen en profeten, er wèl aan geloofden?

Waarom horen wij niet meer Gods persoonlijke stem in den donder? En zien we zijn persoonlijke wraak of straf niet in den bliksem?

Hebben we eenig natuurwetenschappelijk bewijs, dat dit onmogelijk is?

Volstrekt niet. Maar een wijs mensch die weet dat de zon een ster is, behorende tot het Melkwegsysteem, kan niet meer geloven aan een Schepper aller zonnen en planeten, die boos zou zijn op mijnheer Zus of koning Zóó.

 

Waarom geloven - merkwaardig actueel voorbeeld,­ sinds dertig jaren onze klerikale ministers niet meer dat de pokken een bijzondere straf Gods zijn, die men niet mag trachten te voorkomen?

Is er eenig bewijs voor de onmogelijkheid daarvan? In genen dele.

Maar de kerkelijke heren zijn, zonder precies te weten hoe, achter de wereldse wetenschap mee­gezwaaid

Omdat zij weten, wat Jezus niet weten kon, durven zij nu loochenen wat eeuwen lang is beschouwd als in volkomen overeenstemming te zijn met Jezus' woorden.

 

Had Jezus geweten wat wij weten, hij zou anders hebben gesproken.

Denk dat hij zou geweten hebben wat wij weten, en het niet hebben gezegd?

Welk een oneindige zegen had hij gebracht, een­voudig door met de autoriteit van zijn woord te zeggen hoe klein de aarde is in het wereldruim, - waardoor de ziekten ontstaan, - wat de oorzaken zijn der sociale noden en ongerechtigheden, en zo veel dergelijke dingen die hem niet onverschillig konden zijn, noch zijne tijd­genoten onverstaanbaar.

 

Hij sprak van wat niet van deze wereld is, en terecht, maar hij heeft helaas! niemand den weg gewezen om deeze wereld te verstaan en te overwinnen. Ja zelfs heeft hij alle aanleiding gegeven om de middelen daar­toe, kunst en wetenschap, te verwaarlozen.

Had Hij kunnen weten wat wij weten, hoe anders zou hij gesproken hebben. Juist omdat hij een wijze was.

 

Onze klerikale ministers weten óók hoe oud de aarde is, en hoe ver de vaste sterren - maar toch geloven zij dat de Almachtige Schepper op aanwijzing van men­schen aan iemand die ze ‘Koningin’ noemen, koninklijke deugden zal verlenen, en in geval van oorlog, even­eens op menschelijk verzoek, Nederland zal beschermen tegen andere naties, - en dat Hij zelfs voor hun politiek partijtje expresselijk een leider heeft uitgezocht, en dergelijke dingen meer, die tonen dat ze, ondanks alle politieke bekwaamheden, geen wijzen zijn, maar kinder­achtige menschen.

 

Onze tijd wacht op de wijzen, de dichters, die het nieuwe, gemeenschappelijke, vaste weten, de betere kennis van natuur en wereld, weten te benutten tot het bereiken van wat niet van deze wereld is.

Wij zijn bezig de natuur te overwinnen, maar dit is slechts een weg en een middel om de wereld te overwinnen.

Wij zoeken het Godsrijk, de Zaligheid, het Pleroma ­dat meer is dan natuur en wereld. Daarvoor moeten wij natuur en wereld verstaan en overwinnen, tot de natuur ons gehoorzaamt en de wereld onder ons weg­zinkt als een trede van onze opgang tot God.

Dat zullen ons niet de vromen leren die geketend zijn aan een boek met woorden, en de wetenschap noodgedwongen hebben aanvaard - noch de geleerden die verblind zijn door hun hypothesen, en de mensch houden voor altijd aan dit kleine planeetje gebonden, stervend met het lijf en vergaand met 's werelds ondergang.

 

Dat zullen ons leren nieuwe Wijzen die zonnen en planeten bezien met de ogen van dichters, zoals Dante ze zag, maar met veel groter kennis en ruimer begrip ­die het kenbare heelal gewaarworden als een Levens­openbaring, en het in akkoord weten te brengen met de diepe en eeuwige gevoelens in hun ziel, zooals die ook de oude profeten en mystieken hebben gekend.

Dan krijgen al die oude woorden en uitspraken een geheel nieuwe betekenis. Dan strekt zich niet alleen het verstand en de waarneming, maar ook het voelende en willende Zelf verre van het kleine systeem van aarde en maan, zelfs van zon en aarde - ja verder nog! tot buiten de zonnestoet, en peilt en volgt de sterrenstromingen en de nevelvlekken, de embryo's van nieuwe zonnen.

 

Eerst dan wanneer het nieuwe weten diep doorge­drongen is in de ziel en 't gemoed, wanneer het ook in de taal is doorgedrongen, wanneer diezelfde beelden en symbolen, ontleend aan verouderde begrippen en daardoor zoo schromelijk misleidend, zijn opgeruimd en verdwe­nen, - dan eerst komt de tijd dat de mensch ook vrij en onbevangen aan zijn aardsche bevrijding werken zal.

Want hoe kan nu de menschheid rustig en blijmoedig aan zijn sociale orde en zijn wereldse gerechtigheid arbeiden, zoolang deze denken, dat alles met de dood een. einde heeft en daarom maar gejaagd naar ogenblikkelijk genieten streven - terwijl genen de­ kostelijke wereld maar 't liefst verzaken en verloochenen en even dom als ondankbaar hun levenskrachten, driften en hartstochten versmoren - in plaats van al deeze dingen als goddelijke geschenken te zuiveren en te heiligen?

Eerst wanneer de ondergang van lijf en wereld met moedige, vreugdige verwachting als een Siderische ge­boorte tegemoet wordt gezien, dan is kans dat er onder 't mensenvolk iets ontstaat als wereldvrede en so­ciale gerechtigheid.

Frederik van Eeden – Bij ’t Licht der Oorlogsvlam (1915)

 

 

I. ONZE VASTHEID

 

Onze weg is zeer duister. Wij trekken als een groote schaar pelgrims door een vreemd, geheimzinnig land, in donkeren nacht, nog vóór de eerste schemering. Nu en dan zien we, bij glanzen zonder begrijpelijke herkomst, vage contouren, rotsgevaarten, zwarte wouden - en

iets als de aanduiding van een weggespoor. Niemand kan zeggen waar we zijn, noch waarheen we gaan. Maar we gaan, we gaan aldoor, altijd haastiger, altijd stelliger, alsof we wisten wáár en waarheen.

De meesten vragen niet, maar schrijden voort tusschen de anderen, onbezorgd omdat we zoo talrijk zijn. En men hoort ze spreken van "weeten", van "zekerheid", van "redelijk" en "logisch" handelen, alsof het geheel van tocht en richting, van omgeving en doel een groote, allen welbekende vastheid ware.

Maar die van de buitenkant, de vooraan­ gaanden bemerkten dat dit alles illusie is, een schijn, een vage schemering - van buiten af komt geen licht. Het weeten is geen weeten, de zekerheid is geen zekerheid. Niemand handelt zooals hij meent te handelen, met redelijk overleg, met logisch inzicht.

Het praten oover en weer van "waarheid" van "werkelijkheid" is onbestemd, onbetrouw­baar, want ieder zegt iets anders met hetzelfde woord. Honderd tegenstrijdige waarheden vechten om den voorrang, om de alleenheerschappij.

Maar voor wie goed luistert vormen al de stemmetjes, al het onwisse gezwatel, toch één koor, ritmisch als het gezang van kikvorsen in de voorjaarsnacht. En de meenigte schrijdt voort, als een machtig geheel, gedreven door vaste leiding, maar een leiding die geen der enkelingen duidelijk bespeurt, hoewel ze allen gehoorzaam volgen - menend uit eigen beweging te gaan.

Dan komt er soms een plotselinge donder­slag en bliksemflits - en het.. scherpe, ont­stellende licht geeft ons een mijlenwijd beeld, een enkele seconde, met onwaarschijnlijke zuiverheid en duidelijkheid. In een bleke, felle overvloed staan rotsen en boomen, bergen en meren, eindeloze vlakten en verre horizonten, schril en strak, al hun geheimen plots ontsluierd, maar te snel weer vervlogen om een vollen indruk te geeven. Een angstig vizioen - maar toch bedarend door het vaste en stellige. De groote stroom menschen daarin nu ontwaard, als een weezen dat zijn weg zoekt langs voorgeschreven baan met welbegrepen doel.

 

Zoo deed het onweer dat oover de waereld is losgebroken. Wij zijn nog niet bekomen van den schrik door het adembenemende helle bliksemlicht. Maar wij weeten méér, wij weeten wat wij niet wisten en zonder deeze helgloed nooit weeten konden.

Daarvan is voordeel te trekken, en kostelijk inzicht te winnen. Laat ons aandachtig zijn, en zoeken vast te houden, zoolang de groote vlam nog laait.

Alle licht komt uit ons zelven - en alle vastheid is alleen in ons zelven te vinden.

Al sprak er een stem uit den Heemel, zeggend: "Ik ben de hoogste Wijsheid, en ik zal u zeggen wat waar is of niet' - dan zouden wij ons niet meer aan deeze zekerheid overgeven zonder kritiek - zoo als de Hebreeër aan Jahweh’s stem.

Want we zouden beseffen dat wij genood­zaakt zijn de uiterlijke verkondiging te toetsen aan een innerlijk gezag. Ons zelf, ons ego, moet er ja en amen op zeggen, moet aanvaarden, moet gelooven, moet de verantwoor­ding dragen.

Geen macht buiten ons kan zich stellen booven dat innerlijk gezag. Al ge even we ons met ziel en lichaam oover aan een die wij voor wijzer houden, een biechtvader, een prelaat, een onzienlijke macht - toch wordt die overgave altijd weer door ons zelven gedaan, en die daad, als wilsdaad, brengt on­herroepelijk de verantwoording weer op ons zelven terug. Wij volbrengen die daad omdat ze ons goed schijnt, de beste die wij doen kunnen, naar ons eigen oordeel.

 

IJdel is dus alle zoeken naar een vastheid buiten ons zelven. Geen woord, geen boek, geen traditie, niets kan ons ontheffen van de noodzaak zelf te oordeelen, zelf te gelooven, zelf te kiezen.

Het vaste punt dat Archimedes zeide noodig te hebben om de waereld te kunnen opbeuren - dat kan niet anders zijn dan ons ego, ons zelf.

Wij stellen dus allereerst vast... dat wij zelven iets vast moeten stellen, daar niets of niemand het voor ons doen kan.

Dan volgt, als eerste, meest nodige vraag "wat noemen we waarheid? wat noemen we werkelijkheid? wat is? wat bestaat?"

En daarop komt, geformuleerd naar de wijze der wiskundigen, dit stellige, onvermijdelijke antwoord:

Het bestaande heeft één hoofdeigenschap ­namelijk deeze: dat het altijd gepaard gaat, ja altijd identisch is met het gevoel ik, en met het gevoel nu.

Daar is geen uitzondering, daar is geen af­wijking. Alle mathematische begrippen kunnen betwijfeld worden, maar dit ééne nooit: alles wat wij kennen constateren wij als ik, en wij constateren het als nu.

De wijsgeren spreken vaak van object en subject. Maar dit is een onzekere, een ver­warrende spreekwijze. Want wij kennen geen object tenzij het subject is. Het verst ver­wijderde ding, de langst geleden gebeurtenis bestaat toch alleen maar als wij er zelf bericht van krijgen.

Wij denken en spreken alsof er iets bestond buiten ons ik - het schijnt ons alsof die ver verwijderde en lang geleden dingen er zouden kunnen zijn, al waren wij zelven er niet. Maar dat is een schijn en die gedachte is ongerijmd, zinledig, want van een bestaan waarmee ons ik, of juister gesproken, mijn ik niet gemoeid zou zijn, heb ik nooit kennis gehad en kan ik ook nooit kennis dragen. Dat is dus geen bestaan, maar een schijnbeeld, een onwerkelijke gedachte, een zinledige term.

Zoo denken en spreken wij ook, alsof er zoiets bestond als "het verleden" of "de toekomst”.

Maar zoiets is er niet en kan er niet zijn. Wij kennen alleen het nu, en dat is het eenig werkelijke. Van een andere werkelijkheid heb­ben wij geen begrip, geen notie, en kunnen wij ook geen notie hebben. Want er bestaat alleen maar een "eerste persoon presens".

Het Ik-Nu.

En toch moeten wij voortgaan te praten en te denken, alsof die schijnbare dingen bestaan. Wij kunnen niet anders. Maar dit is als het wiskunstig werken met onbestaanbare grootheden. Wij gebruiken ze, steeds ons voor oogen houdend dat ze onbestaanbaar zijn.

Zoo moeten wij redeneren, steeds beden­kend dat wij eigenlijk onzin zeggen, - maar een nuttige, nodige onzin die ons dichter brengt bij de waarheid en de werkelijkheid.

Vastgesteld moet alleen worden dat het meest werkelijke, alles wat is, ook is gevoel. En wel gevoel van het ik, het ego - en wel mijn ik, mijn ego in het tegenwoordige, het Nu.

Wij denken en spreken dus steeds in ter­men, die min of meer ongerijmd -, en in beelden die min of meer onjuist zijn.

Deeze vaststelling is van 't allerhoogste be­lang, bij al wat wij zeggen en doen.

Zij is vooral noodig op dit tijdstip, nu wij in ons diepste weezen zijn geschokt en opge­schrikt.

Want nooit hadden wij dringender behoefte na te gaan wat ons leevensdoel is, en welke richtlijn onze daden moet bepalen.

 

Tot zelfs in die woorden "mijn ik" schuilt de ongerijmdheid. Want "mijn" is een genitief, beduidend "van mij". Men zegt dus: “het Ik van Ik." Daaruit spreekt het onbereikbare, het onbegrijpbare van Ik. Het moet altijd weer een Ik hebben waarvan het afhangt. Het is dus geen vast ding, geen vast begrip – het is een benadering, een verschiet dat steeds terug wijkt, naarmate men dieper doordringt.

Achter elk ik-gevoel staat weer een ander Ik, waarvan het hoort.

Het laat zich niet uitspreek en, niet denken.

Het kan alleen aangeduid worden door beelden, symbolen - die ergens heen wijzen, doch nooit alles zeggen kunnen, en nooit ten volle het gezochte bereiken.

 

Duister zal men dit noemen, en zoo is het ook. Maar in die duisternis leeven wij nu eenmaal allen, en uit die duisternis moeten wij ons licht halen. Ieder, ieder onzer. Het baat niet of wij er ons moedeloos van afkeren. Wij moeten dieper doordringen, wij moeten voort. Wij moeten handelen, kiezen, oordeelen bij dat vage, ontoereikende licht wat uit ons zelven komt.

En wij moeten trachten elkander te verstaan en tot eenheid te koomen - sprekend in beelden en gelijkenissen, met een vast geloof dat wij waarheid benaderen, en een nooit vergeten dat het nog maar benaderen is, en nog geen weeten.

 

 

 

 

II. HET IK-NU.

 

Het groote wonder van ons bestaan is dit: dat ons ik-gevoel zich van alle andere ik-ge­voelen onderscheidt, door dat het voelt als "mijn eigen”. Ik neem aan - niet door be­wijs, maar door intuïtie, door geloof - dat er andere Ikheeden zijn. Maar die zijn dan toch essentieel onderscheiden van het mijne, juist omdat het mijne mij alleen eigen is. Ik kan nooit voelen wat een ander voelt, noch kan een ander zijn, wat ik ben.

Hier ontstaat de diepste, meest hopeloos duistere van alle ongerijmdheden, die noch door denken noch door redeneren te ver­helderen is - dat ik als voorwaarde van alle bestaan alleen mijn Ik moet aannemen.

Dat Alles Ik is, en Ik Alles ben, dat is een onvermijdelijke gedachte waarmee ik ver­trouwd kan geraken. Maar hoe kan die­ zelfde gedachte wáár zijn voor verschillende Ikheeden?

Dat alle Zijn oneindig is, en toch bepaald tot het oneindig kleine moment, het Nu - dat is een even onvermijdelijke zekerheid, die wij intuïtief moeten gelooven.

Maar daarin is niet zulk een ondenkbare ongerijmdheid verborgen als in dit raadsel dat ieder ego voelt hoe alle bestaan afhangt van zijn Zelf, en hoe toch geen ander zijn kan wat hij zelf is. Het Ik voelt zich uniek.

Daar helpt geen peinzen, geen rusteloos overwegen, geen logisch redeneren – het raadsel blijft even onpeilbaar, even ondoor­grondelijk. De metafysici mogen ons uit­voerige woordsystemen bouwen, ons met groote stelligheid formulen geeven als op­lossing van alle raadselen – voor dit raadsel staan zij even machteloos als de theologen en de natuurwetenschappelijke geleerden.

En daar het ons allen aangaat, onze heele levensbeschouwing beheerscht, en dus ook onze daden motiveren moet - daarom moet het ook gezegd worden voor allen, die meenen dat wij menschen, als redelijke wezens, ge­heel logisch en verstandelijk kunnen handelen, uitgaand van vaste beginselen.

Het beste wat wij als menschen kunnen bereiken is een berusting in ons onverstand en onze machteloosheid, - en een intuïtief vertrouwen, een geloof, dat wij, levend in een ondoordringbare sfeer van schijn, van on­gerijmdheid en onzin, sprekend met woorden die niet meer zijn dan min of meer onjuiste symbolen en overdrachtelijke beelden, toch al tastend en dolend, tot helderder inzicht en stelliger besef zullen geraken.

Ik ben geneigd mij te verontschuldigen - daar ik zooveel duisters en diepzinnigs moet zeggen - maar er helpt niets aan, dat duistere en diepzinnige is toch de oorsprong van al ons doen en al ons voelen.

Het is niet mijn schuld, dat niemand er buiten kan.

Nu zal ik gebruik maken van een beeld, wel de aandacht er op vestigend dat het een beeld is, en dus maar ten dele waar, zoo als alles wat wij kunnen zeggen.

Dat beeld is de Lichtvonk, die om zich ver­spreidt een lichtkring, een lichtsfeer.

Ons zelfbesef, ons ego is als zulk een licht­vonk, met een lichtsfeer. En wij kunnen be­merken dat er in ons een neiging bestaat, die lichtvonk helderder, intensiever - en de licht­sfeer wijder te maken.

Ons weezen, onze kosmos is zulk een lichtsfeer, die zich naar alle zijden tracht uit te breiden.[1]

Wij weeten dat wij nog dezelfde Ikheid zijn die wij waren als kind.

Dit is niet volkoomen zeeker. Want er zijn genoeg voorbeelden van valsch herinneren.

Men denke aan het fijne verhaaltje van den Chinese wijze Tsoeang-Tsz', die gedroomd had dat hij een vlinder was en bij het ontwaken uitriep: "ben ik nu een mensch die gedroomd heeft een vlinder te zijn? Of ben ik een vlinder die nu droomt een mensch te zijn?"

Hoogst waarschijnlijk dus, zijn we het zelfde ego dat we waren als kind. Maar daarbij zijn we toch veranderd, en het verschil tusschen kind en volwassene is vooral dit: dat de laatste meer herinnert en verder vooruit ziet.

De lichtsfeer is dus grooter geworden, het besef verlicht een wijder kosmos, in het nu wordt dus meer en meer samengedrongen verleden en toekomst.

Dat kan men dan ook aldus uitdrukken dat meer schijn tot weezen geworden is. We hebben dus verwerkelijkt wat schijnbeeld was.

Nu voelen en gelooven wij – intuïtief zooals wij voelen en gelooven dat het be­staande oneindig en volmaakt is - dat deeze concentratie in Ik en Nu steeds voortgaat.

In 't oneindige voortgezet gedacht, beteekent dit het volmaakte bestaan, het weezen Gods. Alles verwerkelijkt, alles inéén, alles Ik en alles Nu.

Dit zou dan ook teevens betekenen de hoogste vreugde, de zaligheid.

Als wij ons afvragen: wat noemen wij vreugde? dan moet het antwoord zijn: datgene wat wij begeeren. En wat wij begeeren is ook wat wij wenschen en willen. En wat wij willen is dat waarheen ons streeven ge­richt is, waarheen wij gaan.

Het heeft dan ook geen zin te redetwisten oover pessimisme en optimisme. Deeze tegenstelling ontstaat alleen door gedachteloos woordgebruik. Wie "vreugde" zegt, zegt ook "datgene wat ik wil". En wie "wil" zegt, zegt ook "de richting waarheen ik ga".

Dat niet iedereen dit terstond inziet en van zelf sprekend vindt, komt door de onnoeme­lijk veel schijnvreugden, en schijnwilsuitingen, die te gronde gaan en ondergeschikt zijn aan hooger vreugde en waarachtiger wil.

Alle lusten, genietingen, blijdschapjes, pretjes en pleziertjes maken plaats voor waarachtiger vreugde, waarheen onze diepere, waarachtige begeerte gaat. Het gemeenschappelijke van al die aandoeningen, en de resultante van al die wilstrevingen is vreugde, in steeds hooger beteekenis. Dit is geen betwistbare stelling, want het ligt in de woorden zelf.

Het is onmogelijk een ander algemeen kenmerk voor vreugde te geeven als "het begeerlijke". Want wat voor den een smart is, is vreugde voor den ander. De vrome martelaar vindt zijn hoogste vreugde in pijn en dood, die voor anderen de grootste ver­schrikkingen zijn.

En het feit zelf dat vreugde is "het begeer­lijke" zegt ook dat ze is de waarheid en de werkelijkheid. We hebben geen andere maat­staf. Het is niet de vraag of we "de waarheid" zoeken. Want wij kunnen "de waarheid" niet anders definiëren dan als "datgene wat wij zoeken".

Vreugde is de werkelijkheid en de werke­lijkheid is vreugde.

Het kind denkt en voelt niet verder dan het moment. Naarmate het meer verwerkelijkt, naarmate meer toekomst en verleden in het nu te samen komt, naar die mate ook wordt de vreugde hooger, grooter, meer omvattend.

De schijnbeelden "Verleden" en "Toekomst" worden meer en meer tot weezen, tot nu, het weeten wordt tot gevoelen.[2]

 

Hoe is het nu begrijpelijk dat de waereld zoo vol smart en leed is - zóózeer dat de groote meerderheid verwonderd en vol twijfel zal vernemen dat al het werkelijke vreugde is?

Daartoe moet men leeren inzien dat vreugde niet kan bestaan zonder smart, smart en leed zijn volstrekt noodig voor de vreugde ­zooals duisternis noodig is voor licht, slaap voor waken, inademing voor uitademing, systole[3] voor diastole.

 

Om dit te verduidelijken geef ik een ander zinnebeeld.

In een orkest, een symfonisch concert, heeft elke noot eerst zijn volle waarde door alle noten die voorafgaan en alle noten die volgen.

Afzonderlijk gehoord, is elke noot zonder zijn volle kracht, en veel noten doen ons aan als wanklanken, dissonanten.

Wij, gescheiden Ikheeden, zoekende en strevende ego's, wij hooren nooit het ge­heele concert, wij hooren maar enkele maten, enkele toonen.

Die doen ons niet allen vreugdrijk aan, juist omdat we van elkaar gescheiden zijn, omdat we nog zoeken en streeven.

Konden we het geheel omvangen, dan eerst hoorden we de harmonische schoonheid.

Wij allen spelen mee in het orkest, maar ons klagen, onze jammer hooren we niet in harmonisch verband met het geheel, we zijn er te digt bij, en we vermoeden nauwelijks hoe die jammer noodig is in de groote Harmonie.

Maar al vorderende, al meer en meer ver­staande, beginnen we flauw te beseffen dat al onze lelijkheid deel uitmaakt van een hooger schoonheid, dat alle dissonanten in een hooger harmonie oplosbaar zijn.

Dit zijn geen willekeurige stellingen of ver­zinsels, het zijn noodwendigheden. Wij moeten zoo denken, het is noodzaak. Het zijn, gevoelswaarheden van den eersten graad. Het zijn waarheden als deeze: dat het Al zonder begin en zonder einde is. Van "bewijzen" kan daarbij geen sprake zijn. Wij weeten het niet, maar wij voelen het als het allernoodwendigste. Het kan niet anders.

En zoo voelen wij ook dat het Heelal vol­maakt is en harmonisch schoon. Dit zijn, wat men noemt: pleonasmen. Wie Heelal zegt, zegt God, en wie God zegt, zegt Volmaakt­heid. Het is dat wat is - dus volmaakt.

 



[1] Het psychisch monisme, zooals dat thans door den Groning­schen hoogleeraar Heymans wordt uiteengezet, spreekt ook van een centraal en periferisch  bewustzijn.

[2] De joodsch-duitsche wijsgeer Martin Buber spreekt van "Orien­tirung" teegenoover "Verwirklichung". De Indier Tagore van "Reali­sation of Life".

[3] samentrekking van de spierwand van de hartkamers of hartboezems - antoniem: diastole

 
 
Gastenboek
 
Laatste wijziging op: 19-10-2010 17:08